Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:966

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12/04853
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:972, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag. Cassatie OM en klager. Middel OM: De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. de hier geldende maatstaf. Het oordeel van de Rb dat de OvJ ‘geen nadere feiten en omstandigheden heeft aangedragen die maken dat de transacties van klager als verdacht zouden moeten worden aangemerkt’ en dat het gelet daarop hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de o.a.h.v. van de inbeslaggenomen stof zal bevelen, is tegen de achtergrond van hetgeen door de OvJ in raadkamer naar voren is gebracht, niet zonder meer begrijpelijk. Middel klager: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/04853 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 september 2012, nummer RK 12/1507, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klager en de Officier van Justitie.

Namens de klager heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Officier van Justitie heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klager heeft het beroep van de Officier van Justitie tegengesproken.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het beklag daarbij gegrond is verklaard en tot verwerping van het namens de klager ingestelde beroep.

2 Beoordeling van het door de Officier van Justitie voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag ten aanzien van APAAN (Alpha-phenyl-aceto-aceto-nitrile), onder meer op de grond dat het oordeel van de Rechtbank dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van die stof zal bevelen, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling door de raadkamer heeft de Officier van Justitie aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik leg hierbij een aangepaste versie van het 'Standpunt van het OM' over. In de originele versie zijn niet de juiste hoeveelheden genoemd. Het betreft 400 kilo APAAN en 2000 kilo GBL. Voor het overige blijf ik bij het standpunt van het openbaar ministerie dat in de oorspronkelijke versie wordt weergegeven.

(...)

APAAN en GBL zijn precursoren en zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. APAAN staat nog niet op de lijst van geregistreerde stoffen in verband met de gevolgen hiervan voor het legale handelsverkeer. APAAN is echter wel een geregistreerde stof geworden omdat er op eenvoudige wijze een geregistreerde stof van gemaakt kan worden. APAAN wordt gebruikt voor onderzoek in de chemische industrie en niet in de schoonmaakbranche. Het is niet gebruikelijk honderden kilo's APAAN te vervoeren. Voor APAAN geldt een meld- en vergunningplicht en het is hier niet van belang of klager al dan niet wist van het illegale gebruik van de stof. Van belang is de schending van de meld- en vergunningsplicht. Het klaagschrift dient ten aanzien van de APAAN ongegrond verklaard te worden."

2.2.2.

Het aan het proces-verbaal gehechte 'Standpunt van het OM' houdt het volgende in:

"ll.2.b. Opiumwet:

Daarnaast is sprake van een verdenking van art. 10a OW.

Klager verklaart tijdens zijn verhoor door verbalisanten van de belastingdienst dat hij driemaal een partij APAAN besteld heeft, nl. twee keer voor één klant en één keer om op voorraad te houden. Deze laatste partij is inbeslaggenomen.

Klager verklaart over zijn handel in APAAN dat hij van zijn GBL leverancier, het Chinese bedrijf [A] Limited, een lijst met andere door hun ook te leveren chemicaliën heeft gekregen. Daarop besloot hij naast GBL ook andere chemicaliën (waaronder APAAN) te gaan verhandelen. Hij plaatst daartoe de op de lijst genoemde stoffen op een website www.[…].com, niet zijnde zijn eigen site, hetgeen op zijn minst bijzonder genoemd mag worden.

T.a.v. de specifieke bestelling verklaart klager dat hij telefonisch werd benaderd door een Engels sprekende Pool die verklaarde voor het bedrijf [B] te werken. Deze man wilde APAAN kopen. De klant gaf eerst aan dat de APAAN gebruikt zou worden voor de leerbehandeling en later dat hij de stof zou gebruiken als weekmaker voor industriële toepassingen. Klager heeft niet geverifieerd of de stof hiervoor gebruikt kan worden. Wel zoekt klager naar eigen zeggen het bedrijf op internet op. De Pool bestelt eerst 20 kilo en daarna 300 kilo, beide bestellingen worden afgehaald bij het bedrijf van klager, waarbij een bedrag van (ruim) 12.600 euro contant zou zijn betaald.

Blijkens de website van [B] (www.[B].com) betreft het een bedrijf dat plastic doppen maakt. Het is een van origine Duits-Frans bedrijf met vestigingen over de hele wereld, waaronder ook in China en Nederland. Blijkens de facturen van de inbeslaggenomen partij APAAN betreft de inkoop prijs van APAAN bij [A] Limited 42,60 USD per kilo, zo'n 34 Euro. Klager verkoopt de APAAN door voor 90 Euro per kilo. Het OM waagt te betwijfelen dat een gerenommeerd bedrijf als [B], dat óók gevestigd is in China, via een Nederlands en in Nederland gevestigd bedrijf in China APAAN zou bestellen, welke vervolgens weer vervoerd zou moeten worden naar een productie locatie in Polen. Naast het feit dat het bedrijf dan in ieder geval extra transportkosten moet betalen, betaalt het ook bijna driemaal de inkoopsprijs per kilo; dat lijkt niet logisch en is in ieder geval niet rendabel.

Klager stelt zelf de website van [B] te hebben bekeken. Er van uitgaande dat dit waar is, had hij op basis van de zojuist geschetste informatie ernstige redenen moeten hebben te vermoeden dat de APAAN uiteindelijk bestemd was voor de productie van amfetamine.

Het OM concludeert dat sprake is van een verdenking van artikel 10a OW, dat de APAAN dus rechtmatig in beslag is genomen en dat thans niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot onttrekking aan het verkeer van de APAAN zal overgaan.

II.2.c. Douanefolder:

Hoewel het OM meent dat de discussie over de inhoud van de douanefolder niet thuishoort in deze raadkamerprocedure, vreest het ook dat klager deze discussie wel thans nu al zal (willen) voeren. Het OM merkt daarom het navolgende op.

Klager verklaart dat hij, alvorens over te gaan tot de aan- en verkoop van de APAAN, de douanefolder 'drugsprecursoren' heeft geraadpleegd met betrekking tot APAAN. Daarin staat dat het een niet geregistreerde stof betreft.

In diezelfde folder wordt een niet-geregistreerde stof gedefinieerd als 'drugsprecursoren die niet in wet- en regelgeving zijn genoemd.'

(...)

In de douanefolder staat voorts dat de stof APAAN genoemd wordt op de zogenaamde 'voluntary-list', een lijst met niet-geregistreerde stoffen ten aanzien waarvan uitdrukkelijk verzocht wordt verdachte of ongebruikelijke transacties te melden (hoofdstuk 8, Douane folder 'Drugsprecursoren'). Als mogelijke criteria voor het herkennen van een verdachte of ongebruikelijke transactie worden genoemd:

- een klant die producten meteen meeneemt;

- betaling in contanten;

- orders van chemicaliën waarvan de leverings- en/of transportkosten niet in verhouding staan tot de waarde van de goederen;

- indicatie van gebruik komt niet overeen met bestelde goederen;

Ik constateer dat klager heeft aangegeven dat de eerste twee bestellingen door de klant zijn opgehaald en meegenomen, nadat zij contant waren betaald, waarbij in ieder geval ten aanzien van de levering van 20 kilogram kan worden vastgesteld dat de leverings- en transportkosten niet in verhouding staan tot de waarde van de goederen.

Als klager voor wat betreft het niet hebben voldaan aan de meld- en vergunningsplicht meent zich te kunnen verschuilen achter de informatie uit de douanefolder, dan acht het OM het onverklaarbaar waarom klager, die in ieder geval geconstateerd moet hebben dat sprake was van een verdachte of ongebruikelijke transactie, de door hem in te voeren partij niet vrijwillig heeft gemeld, zoals nadrukkelijk wordt verzocht door de douane.

Het OM ziet in dit niet vrijwillig melden een bevestiging van het vermoeden dat de douane niets van deze bestelling mocht weten, omdat sprake was van handel in strijd met de Wvmc en van strafbare voorbereidingshandelingen ex artikel 10a OW.

Het OM zal – zoals hiervoor al betoogd – ter terechtzitting de onttrekking aan het verkeer van de APAAN vorderen. Het OM acht het, gelet op het hiervoor genoemde hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank, later oordelend, niet de onttrekking aan het verkeer zal uitspreken."

2.3.

De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:

"Klager verzoekt teruggave van de inbeslaggenomen APAAN en GBL. Hij stelt dat het hier niet gaat om verboden stoffen en dat deze stoffen besteld zijn voor een legaal doel.

De officier van justitie geeft aan dat deze stoffen in beslag zijn genomen omdat APAAN en GBL op grote schaal gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. Zij acht het ongecontroleerde bezit van deze middelen in strijd met de wet of het algemeen belang. Te zijner tijd zal ter terechtzitting onttrekking aan het verkeer worden gevorderd. Zij stelt dat deze stoffen weliswaar niet zijn opgenomen als geregistreerde stoffen van categorie I zoals bedoeld in Verordening (EG) Nr. 111/2005, doch dat deze stoffen zijn verworden tot geregistreerde stoffen conform die Verordening. Voor klager geldt om die reden een meld- en vergunningsplicht.

De rechtbank stelt vast dat APAAN vermeld staat op de Voluntary Monitoring List Of Non Controlled Chemicals. Het betreft een niet-geregistreerde stof, zoals ook uit de desbetreffende douanefolder blijkt. Wel wordt uitdrukkelijk verzocht verdachte of ongebruikelijke transacties te melden. Er wordt dus klaarblijkelijk een onderscheid gemaakt tussen verschillende stoffen. Het enkele feit dat APAAN als pre-precursor wordt gebruikt voor de productie van synthetische drugs is onvoldoende om deze stof tot geregistreerde stof te laten verworden. De officier van justitie heeft geen nadere feiten en omstandigheden aangedragen die maken dat de transacties van klager als verdacht zouden moeten worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend in de strafzaak, de in beslag genomen APAAN zal onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de inbeslaggenomen APAAN zal de rechtbank dan ook het beklag gegrond verklaren en teruggave gelasten aan klager."

2.4.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder de klager op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde APAAN. In een zodanig geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en 2.9).

2.5.

Het oordeel van de Rechtbank dat de Officier van Justitie "geen nadere feiten en omstandigheden [heeft] aangedragen die maken dat de transacties van klager als verdacht zouden moeten worden aangemerkt" en dat het gelet daarop hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van de APAAN zal bevelen, is tegen de achtergrond van hetgeen door de Officier van Justitie in raadkamer naar voren is gebracht niet zonder meer begrijpelijk.

2.6.

Het middel klaagt daarover terecht.

3 Beoordeling van het namens de klager voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de inbeslaggenomen APAAN, niet in stand kan blijven, het door de Officier van Justitie voorgestelde middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de inbeslaggenomen APAAN;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;

verwerpt de beroepen voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.