Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:962

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
11/04375
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:654
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:4206, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de HR slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, zal de rechter zodanige f&o moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175.3 WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1298
NJB 2013/2312
NJ 2014/26
VR 2014/5

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. 11/04375

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 september 2011, nummer 20/001998-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft, tot verlaging van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op 27 juli 2008 te Klimmen, in de gemeente Voerendaal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, de Klimmenderstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Klimmenderstraat, bij nadering van de splitsing van die weg en de weg, de Achtbunderstraat, met een snelheid van ongeveer 126 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, meerdere over de rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdende motorrijtuigen links van een in die weg gelegen, door bord D2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 aangegeven, middengeleider, over de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat is gaan inhalen, zulks op het moment dat de bestuurster van een over die rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdend motorrijtuig (personenauto) doende was op voornoemde splitsing naar links af te slaan in de richting van die Achtbunderstraat, en zich daartoe (gedeeltelijk) op de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat bevond, waardoor vervolgens een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (motorfiets) en dat ander (afslaand) motorrijtuig (personenauto);

2. hij op 27 juli 2008, te Klimmen, in de gemeente Voerendaal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, de Klimmenderstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten meerdere snijwonden in het gelaat en botletsel aan de linker onderarm en beschadiging van het hoornvlies, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Klimmenderstraat, bij nadering van de splitsing van die weg en de weg, de Achtbunderstraat, met een snelheid van ongeveer 126 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, meerdere over de rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdende motorrijtuigen, links van een in die weg gelegen, door bord D2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 aangegeven, middengeleider, over de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat is gaan inhalen, zulks op het moment dat de bestuurster van een over die rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdend motorrijtuig (personenauto) doende was op voornoemde splitsing naar links af te slaan in de richting van die Achtbunderstraat, en zich daartoe (gedeeltelijk) op de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat bevond, waardoor vervolgens een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (motorfiets) en dat ander (afslaand) motorrijtuig (personenauto), waarin [slachtoffer 2] voornoemd als passagiere was gezeten."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik heb op 27 juli 2008 als bestuurder op een motor over de Klimmenderstraat in Klimmen gereden, waarbij een ongeval heeft plaatsgevonden.
Ik wilde een aantal auto's links inhalen, over de andere weghelft. Toen zag ik ineens een auto linksaf slaan. Het kan best zo zijn dat ik bij het inhalen van de auto's reed met een snelheid van ongeveer 126 km p/u. Ik reed voor het eerst met een motor over de Klimmenderstraat. Ik kende die weg niet zo goed. Ik heb geen autorijbewijs of motorrijbewijs. De motor was een 1200cc. Dat is een zware motor. Ik heb gas gegeven en ben naar links gegaan. Ik had nog nooit op zo'n zware motor gereden en ik had niet verwacht dat de motor zo snel zou optrekken.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding, dossierpagina's 20-21, opgemaakt en op 27 juli 2008 ondertekend door [verbalisant 1] (hoofdagent) en [verbalisant 2] (hoofdagent), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 27 juli 2008 omstreeks 14.20 uur hebben wij op de Klimmenderstraat te Klimmen, binnen de gemeente Voerendaal, aangehouden:

Naam: [verdachte]

Voornamen: [voornamen]

Geboren te: [geboorteplaats]

Geboren op: [geboortedatum]/1979

Wij reden over de Klimmenderstraat. Ter hoogte van het kruispunt met de Achtbunderstraat zagen wij dat in de Achtbunderstraat midden op de rijbaan een tweetal personen op het wegdek lag en daarvoor een motor. Wij zagen dat verderop in de Achtbunderstraat een personenauto stil stond. Wij zagen dat in de personenauto twee vrouwen zaten die ernstig gewond waren. Wij zagen dat de bestuurster er slecht aan toe was en enige minuten nadat wij ter plaatse waren overleed de bestuurster.

(...)

4. Het ambtsedig proces-ver baal Verkeersongevalanalyse, inclusief bijbehorende fotomappen, dossierpagina's 152-236, opgemaakt en op 18 januari 2009 ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (brigadiers van politie en werkzaam als ongevalanalisten), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: (pag. 156)

Ad 2. De bestuurster van de personenauto sloeg linksaf. De bestuurder van de motorfiets die haar van links achteren naderde en over de linkerrijstrook meerdere auto's inhaalde en voorbij reed, botste tegen de linkerflank van de personenauto.

Ad 4. Uit het onderzoek bleek dat de bestuurder van de motorfiets kort voor de botsplaats (ongeveer 70 m) met een snelheid van 126 km/h reed. De ter plaatse toegestane snelheid is 50 km/h.

Ad 6. De bestuurster van de bij de aanrijding betrokken personenauto reed over de Klimmenderstraat. Zij was voornemens om op de Klimmenderstraat bij de T-kruising met de Achtbunderstraat linksaf te slaan en de Achtbunderstraat in te rijden. De bestuurster gaf op de Klimmenderstraat minstens 110 m voor de T-kruising met de Achtbunderstraat aan dat zij voornemens was om linksaf te willen rijden.
Nagenoeg direct achter deze bestuurster reden drie personenauto's. De bestuurder van de betrokken motorfiets reed eveneens over de Klimmenderstraat.
Hij reed op de voor hem linkerrijstrook van de Klimmenderstraat, het weggedeelte bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer, met zeer hoge snelheid.
Hierbij haalde hij over de voor hem linkerrijstrook in ieder geval drie personenauto's in, die achter de bij de aanrijding betrokken bestuurster van de personenauto over de Klimmenderstraat reden.
Hij reed hierbij een verhoogde middengeleiding, welke is gelegen kort voor de voornoemde T-kruising, links voorbij. Op deze middengeleiding is een verkeersbord geplaatst dat de middengeleiding aan de rechterzijde voorbij gereden dient te worden.
Op het moment dat de bestuurster van de personenauto bij de T-kruising van de Klimmenderstraat met de Achtbunderstraat linksaf sloeg botste de bestuurder van de motorfiets met de voorzijde in de linkerflank van de personenauto. De bestuurder van de motorfiets had de aanrijding kunnen voorkomen.
De bestuurster van de personenauto had de aanrijding niet kunnen voorkomen. (pag. 157)

Op de verhoogde middengeleiding, die is gelegen voor de onderhavige T-kruising, zijn verkeersborden geplaatst overeenkomstig model D2 van de Bijlage 1 van het RVV (hof begrijpt: Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens) 1990. (pag. 167)

Uit de beelden is de snelheid van de motorfiets bepaald over een traject van ca. 19 meter. De gemiddelde snelheid bedroeg 126 km/h met een marge naar boven of beneden van 4 km/h.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van het getuigenverhoor van [slachtoffer 2], dossierpagina's 127-128, opgemaakt en op 14 augustus 2008 ondertekend door [verbalisant 1] (hoofdagent), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 27 juli 2008 ben ik met mijn schoonzus [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) in haar personenauto gestapt. Zij stapte in aan de bestuurderskant en ik aan de bijrijderskant. We reden over de doorgaande weg van Klimmen en wilden linksaf slaan. Ik hoorde en voelde een ontzettende klap. Ik zag dat er glas door de auto vloog. Ik ben naar het ziekenhuis in Maastricht gebracht."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

3.2.

Het onder 1 en 2 tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

3.3.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

3.4.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.

3.5.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

3.6.

In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof – dat de bewijsmiddelen niet heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid – tekort. De door het Hof kennelijk in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd: als bestuurder van een motorfiets links van een middengeleider met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid op een kruispunt over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer voertuigen inhalen – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "(aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

3.7.

Het middel is gegrond.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.