Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:961

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
11/03003
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:970
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Veroordeling medeplegen in hoofdzaak. Het Hof heeft geoordeeld dat het geschatte w.v.v. in zijn geheel aan betrokkene moet worden toegerekend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, noopte het Hof niet tot een nadere motivering. Zo een nadere motivering kan onder omstandigheden wel zijn vereist indien, bijv. i.v.m. hetgeen door/namens betrokkene ttz. in h.b. is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. Zodanige aanknopingspunten ontbreken in dit geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1306
NJ 2013/517
NJB 2013/2318
SR-Updates.nl 2013-0395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. S 11/03003 P

LBS/IV

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juni 2011, nummer 20/000366-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben mr. J. Goudswaard en mr. C.P. Wesselink-van Dijk, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat uit het feit dat in de hoofdzaak de betrokkene is veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met art. 3 Opiumwet volgt dat de betrokkene het bewezenverklaarde niet alleen heeft gepleegd.

2.2.1.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is in de strafzaak met parketnummer 04-850273-09 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 6 januari 2010 veroordeeld tot straf ter zake van onder meer medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van december 2008 tot en met 3 maart 2009.

Het hof ontleent aan de inhoud van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat.

A. Inkomsten

Op 3 maart 2009 is in een woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit in totaal 287 hennepplanten. Op dit adres waren de veroordeelde en een persoon genaamd [persoon 1] woonachtig. Veroordeelde heeft verklaard dat hij eigenaar was van de hennepkwekerij en dat hij deze heeft opgebouwd en de hennepplanten heeft verzorgd.

(...)

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de opbrengst als volgt kan worden geschat:

Aantal oogsten: 1

Aantal hennepplanten 287

Opbrengst per plant: 29,6 gram

Verkoopprijs per gram: EUR 2,37

-------------

Totale opbrengst: EUR 20.133,62

B. Kosten

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten, welke in directe relatie staan met het strafbare feit en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien. Naar het oordeel van het hof dienen op voormeld bedrag derhalve de volgende kosten in mindering te worden gebracht.

(...)

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de volgende kosten op de geschatte opbrengst in mindering dienen te worden gebracht:

Vaste afschrijvingskosten: EUR 200,00

Variabele kosten: EUR 1.262,80

Vordering benadeelde partij: EUR 341,18

-------------

Totale kosten: EUR 1.803,98

C. Conclusie

Op grond van het vorenstaande schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:

Opbrengst: EUR 20.133,62

Kosten: EUR 1.809,98

-------------

Totaal voordeel: EUR 18.323,64

Ten voordele van de veroordeelde rondt het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel af op een bedrag van EUR 18.300,00.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag gelijk aan het hiervoor geschatte voordeel."

2.2.2.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontleend aan de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2009, proces-verbaalnummer 2008006210-11, opgemaakt door [verbalisant 1] (brigadier van politie) en [verbalisant 2] (agent van politie), dossierpagina's 43 tot en met 46, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als relaas van verbalisanten:

Het pand [a-straat 1] te [plaats] is een tussenwoning. Op 5 januari 2009 nam ik, [verbalisant 1], waar dat op de daken van het woonblok, waar [a-straat 1] deel van uitmaakte, sneeuw lag. Het viel op dat op het dak van [a-straat 1] geen sneeuw lag.

Uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Roermond bleek dat op het adres [a-straat 1] stond ingeschreven: [betrokkene].

Op dinsdag 3 maart (het hof begrijpt: 2009) gingen wij verbalisanten naar de woning gelegen [a-straat 1]. Op aanbellen en kloppen van ons werd niet gereageerd. Hierop besloten wij om het slot van de voordeur te forceren. In de woning werd een vrouw aangetroffen, welke ons middels een op haar naam staand Bulgaars legitimatiebewijs kenbaar maakte te zijn:

[persoon 1].
Door ons, verbalisanten, werd op de eerste verdieping in twee slaapkamers, een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Deze slaapkamers werden door ons, verbalisanten, aangeduid als ruimte III en IV.

Aangetroffen situatie ruimte III: Wij zagen dat er na telling 96 hennepplanten stonden.

Aangetroffen situatie ruimte IV: Wij zagen dat er na telling 191 hennepplanten stonden.

2.

Een ambtsedig proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 30 maart 2009, proces-verbaalnummer 2008006210, opgemaakt door [verbalisant 2], dossierpagina's 49 tot en met 61, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Naar aanleiding van een door mij verbalisant [verbalisant 2] ingesteld onderzoek op 3 maart 2009 in perceel [a-straat 1] te [plaats] bleek dat op deze datum een in werking zijnde hennepkwekerij in genoemd pand aanwezig was.

De oppervlakte van de kwekerij was ongeveer 24 m2. De aangetroffen kwekerij had een productiecapaciteit van 287 planten.

In het onderhavige geval wordt uitgegaan van een aantal landelijke normgetallen zoals neergelegd in het BOOM-rapport "Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht" van april 2005. Deze uitgangspunten luiden als volgt.

- de 287 hennepplanten hebben een gemiddelde opbrengst van 29,6 gram per plant;

- als verkoopprijs wordt een bedrag van 2.370 euro per kilo aangehouden;

- bij een hennepkwekerij met minimaal 200 planten en maximaal 299 planten bedragen de afschrijvingskosten in verband met de productie 200 euro;

- voor de directe variabele kosten wordt per hennepplant een bedrag van 4,40 euro aangehouden.

Mij, verbalisant [verbalisant 2], is het navolgende gebleken:

- er lag dik stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen;

- er was hennepafval op de grond aanwezig;

- er waren lege voedingsflessen aanwezig;

- de tuin van perceel [a-straat 1] te [plaats] was bedekt met gebruikte aarde, afkomstig uit een hennepkwekerij.

3.

Het geschrift, te weten een Fotoboek meerdere kweken, dossierpagina 94, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Ook de koolstoffilter was sterk vervuild. Op de foto is de ketting verschoven, zodat aangetoond kan worden dat het koolstoffilter hier vanaf het begin van de kweekperiode gehangen heeft.

4.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van 4 maart 2009, proces-verbaalnummer 2008006210-8, opgemaakt door [verbalisant 1] (brigadier van politie), dossierpagina's 65 tot en met 71, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de veroordeelde op vragen van de verbalisant:

V: Waar sta je ingeschreven?

A: Ik sta ingeschreven op [a-straat 1] in [plaats].

V: Wie wonen daar nog meer?

A: Bij mij woont alleen [persoon 1].

V: In de woning [a-straat 1] in [plaats] is een hennepkwekerij aangetroffen. Wie is de eigenaar van de hennepkwekerij?

A: Ja, die is van mij.

V: In welke ruimtes waren de hennepkwekerijen?

A: Op de eerste verdieping waren 2 voormalige slaapkamers ingericht en gebruikt voor de teelt van hennep.

V: Wie heeft de hennepkwekerij opgebouwd?

A: Ik heb die hennepkwekerij gebouwd.

V: Hoe was de staat van de materialen zoals filters, lampen, bloempotten en dergelijke toen die werden opgehangen?

A: Het was nieuw materiaal.

V: Heb jij die hennepplanten verzorgd?

A: Ik.

5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 juni 2011, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de veroordeelde:

De aangetroffen hennepplantjes stonden ongeveer een week in de woning.

6.

Een schriftelijke huurovereenkomst van 3 december 2008, dossierpagina's 10 tot en met 13, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Ondergetekenden [betrokkene], hierna te noemen: 'verhuurder' en [persoon 2], hierna te noemen: 'verhuurder', zijn het volgende overeengekomen:

Verhuurder verhuurt hierbij aan huurder, die hierbij van verhuurder huurt: [a-straat 1] [plaats], woning.

Dit huurcontract is aangegaan voor onbepaalde tijd, ingaande op 5 december 2008.

7.

Een afschrift van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2011, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

In het faillissement van:

[betrokkene],

[b-straat1]

[...] [plaats].

BESLISSING

De rechtbank homologeert het op 22 april aangenomen akkoord.

8.

Een afschrift van een overzichtslijst ex artikel 121 van de Faillissementswet, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Aan Enexis B.V. is een bedrag toegekend van EUR 216,79 en aan Essent Retail Energy B.V. een bedrag van

EUR 124,39."

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 18.300,00 in zijn geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Dat berust op het volgende.

Blijkens de voor de schatting gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het onder 4 opgenomen bewijsmiddel, heeft het Hof vastgesteld dat de betrokkene eigenaar was van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij, dat hij zelf die hennepkwekerij heeft gebouwd en dat hij degene is geweest die de hennepplanten heeft verzorgd. Op grond daarvan heeft het Hof aannemelijk kunnen achten dat het uit de hennepkwekerij verkregen voordeel geheel aan de betrokkene ten goede is gekomen. De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van de betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, noopte het Hof niet zijn oordeel nader te motiveren om het begrijpelijk te doen zijn. Zo een nadere motivering kan onder omstandigheden wel zijn vereist indien, bijvoorbeeld in verband met hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. Zodanige aanknopingspunten ontbreken in dit geval.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art.6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 18.300,00.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 17.385,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.