Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:960

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
11/03632
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:362
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. N-o OM in de vervolging. 2. Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. Ad 1. De verwerping door het hof van het tot n-o verklaring van het OM in de vervolging strekkend verweer geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de HR slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, zal de rechter zodanige f&o moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175.3 WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1297
NJB 2013/2311
NJ 2014/25 met annotatie van N. Keijzer
VR 2014/6
SR-Updates.nl 2013-0411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. 11/03632

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 juli 2011, nummer 21/001568-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen

2.1.

Overeenkomstig hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair is tenlastegelegd, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1.

hij op 08 februari 2008 te Azewijn, gemeente Montferland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zijnde een personenauto (merk: Volvo), daarmede heeft gereden over de weg de Terborgseweg en de N335, alwaar een maximale wettelijke snelheid van 80 kilometer per uur gold, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos,

- zijn snelheid verhoogd toen een hem passerende en inhalende bedrijfsauto links van hem, verdachte, reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer, in dezelfde richting als hij, verdachte, en daarbij voornoemde inhalende bedrijfsauto niet de gelegenheid heeft gegeven om de door hem, verdachte, bestuurde auto in te halen en te passeren en om voor zijn, verdachtes, auto te gaan rijden op dezelfde rijstrook als waarop hij, verdachte, zich bevond, en

heeft gereden en heeft blijven rijden met een te hoge snelheid in de op dat moment geldende verkeerssituatie en

vervolgens terwijl een personenauto bestuurd door [slachtoffer 1] zich op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer bevond en naderde vanuit tegemoetkomende richting en de bestuurder van de bedrijfsauto naar rechts stuurde teneinde op de rijstrook te komen waarop verdachte zich bevond en

- voornoemde bedrijfsauto met de door hem, verdachte bestuurde auto (zijdelings) geraakt, en met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto geblokkeerd geremd,

en is hij, verdachte, vervolgens terecht gekomen op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer waardoor een botsing heeft plaats gevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer 1] bestuurde personenauto, waardoor de echtgenote en bijrijder van voornoemde [slachtoffer 1], namelijk voornoemde [slachtoffer 2] is gedood;

2.

hij op 08 februari 2008 te Azewijn, gemeente Montferland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zijnde een personenauto (merk: Volvo), daarmede heeft gereden over de weg de Terborgseweg en de N335, alwaar een maximale wettelijke snelheid van 80 kilometer per uur gold, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij, verdachte, roekeloos,

- zijn snelheid verhoogd toen een hem passerende en inhalende bedrijfsauto, links van hem, verdachte, reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer, in dezelfde richting als hij, verdachte, en daarbij voornoemde inhalende bedrijfsauto niet de gelegenheid heeft gegeven om de door hem, verdachte, bestuurde auto in te halen en passeren en om voor zijn, verdachtes, auto te gaan rijden op dezelfde rijstrook als waarop hij, verdachte, zich bevond,

en

heeft gereden en heeft blijven rijden met een te hoge snelheid in de op dat moment geldende verkeerssituatie en

vervolgens terwijl een personenauto bestuurd door [slachtoffer 1] zich op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer bevond en naderde vanuit tegemoetkomende richting en de bestuurder van de bedrijfsauto naar rechts stuurde teneinde op de rijstrook te komen waarop verdachte zich bevond en

- voornoemde bedrijfsauto met de door hem, verdachte bestuurde auto (zijdelings) geraakt, en met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto geblokkeerd geremd,

en is hij, verdachte, vervolgens terecht gekomen op de rijstrook voor

tegemoetkomend verkeer waardoor een botsing aanrijding heeft plaats gevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer 1] bestuurde personenauto,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde linkerarm en een gebroken rechterarm en een gebroken voet en hoofdletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het stamproces-verbaal, nummer PL0640/08-203296 (p. 8), in de wettelijke vorm opgemaakt op 6 februari 2009 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op vrijdag 8 februari 2008, omstreeks 16.30 uur, vond er een aanrijding plaats op de provinciale weg N335, de Terborgseweg te Azewijn, gemeente Montferland.

2. Het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, BPS-nummer 08-221912 (p. 190, 193, 217 en 218), in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 februari 2008 door [verbalisant 2], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, en [verbalisant 3], hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

1.2

Beknopte ongevalsbeschrijving

Door de collega's werd ons medegedeeld, dat er een ongeval had plaatsgevonden tussen twee personenauto's en een bedrijfsauto.

1.3

Vraagstelling/verzoek

Wij hebben een onderzoek ingesteld op de plaats van het ongeval.

2.2.3

Verkeersmaatregelen ter plaatse

Wij zagen het volgende:

• Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 km/h.

5.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de rijksweg N335 tussen Etten en Zeddam.

Zowel de bestuurder van een onbekend gebleven bedrijfsauto als de bestuurder van de Volvo reden direct voorafgaand aan het ongeval over de rijksweg N335, komende uit de richting Zeddam gaande in de richting Etten. De bedrijfsauto ging de Volvo inhalen over de linkerrijstrook voor het tegemoetkomend verkeer van de N335 in de richting Etten.

Tijdens de inhaalmanoeuvre moest de bedrijfsauto terug naar de rechterrijstrook van de rijksweg N335, omdat er een tegenligger naderde uit de richting Etten. De onbekende bedrijfsauto raakte tijdens het teruggaan naar de rechterrijstrook de Volvo ter hoogte van het linker voorspatbord. Vervolgens remde de Volvo met volledig geblokkeerde wielen. Als gevolg van het geblokkeerd remmen kwam de Volvo op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer ter hoogte van hectometerpaal 13.3 frontaal in botsing met de Renault die over de rijksweg N335 vanuit Etten richting Zeddem reed.

3. Het proces-verbaal, nummer PL0642/08-221912 (p. 277-278), in de wettelijke vorm opgemaakt op 9 februari 2008 door [verbalisant 4], agent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verdachte]:

Op vrijdag 8 februari 2008 omstreeks 16.30 uur reed ik in mijn personenauto, een witte Volvo, over de Terborgseweg te Azewijn. Op een gegeven moment zag ik een grote witte bestelbus mij van achteren naderen. De bestelbus haalde mij met hoge snelheid in. Ik zag dat er uit tegenovergestelde richting drie personenauto's aan kwamen rijden, twee rode en een wit/grijze personenauto. De bestuurder van de bestelbus stuurde naar rechts en tijdens deze manoeuvre raakte ik de bestelbus net iets voor het rechterachterwiel met de linkervoorzijde van mijn personenauto. Door de klap probeerde ik tegen te sturen naar links en heb ik vol geremd. Ik zag dat mijn personenauto naar de linkerrijbaan schoot. Ik zag dat ik de eerste rode personenauto net ontweek. Vervolgens botste ik frontaal op de tweede rode auto.

4. Het proces-verbaal, nummer PL0648/08-221912 (p. 140-141), in de wettelijke vorm opgemaakt op 25 februari 2008 door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op vrijdag 8 februari 2008 was ik 's middags op bezoek bij kennissen in Etten. Ik was daar samen met mijn vrouw. Omstreeks 16.15 uur gingen wij naar huis. Ik reed in mijn personenauto van het merk Renault, type Clio, kleur rood. Ik kwam vanuit de richting Etten en stond vervolgens stil bij de verkeerslichten van de Slingerparallel met de Terborgseweg. Toen ik verder kon rijden, reed ik vervolgens in de richting van Zeddam over de Terborgseweg. Ik kan mij nog wel herinneren dat uit tegenovergestelde richting een auto aan kwam rijden. Ik zag duidelijk achter die auto een witte bestelbus. Hierna ben ik alles kwijt. Toen ik weer wakker werd, zag ik dat mijn auto omgedraaid op de weg stond. Mijn vrouw is ten gevolge van dit verkeersongeval overleden. Door de aanrijding is mijn linkerarm verbrijzeld en mijn rechterarm gebroken. Hier is een plaatje ingezet. Van mijn rechtervoet is de hak gebroken. Ik heb ook nog hoofdletsel opgelopen.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een Verklaring vrijgeven medische gegevens (p. 144-145), inhoudende:

Naam: [slachtoffer 1]

Voornamen: [voornamen]

A. Uitwendig waargenomen letsel:

Gebroken arm, gebroken voet, letsel hoofd.

6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een Verslag betreffende een niet natuurlijke dood (p. 74), inhoudende:

De ondergetekende C.D. Post, lijkschouwer van de gemeente Doetinchem verklaart gedurende de laatste twee jaar geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan:

Naam: [slachtoffer 2]

Voornamen (voluit): [voornamen]

Geboren op: [geboortedatum]-1923

Te: [geboorteplaats]

Overleden op: 09-02-2008

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd.

Bijzonderheden:

Slachtoffer verkeersongeval met tegenpartij 08/02/2008. Overleden 09/02/2008 17.50 uur hartfalen als gevolg van ongeval.

7. Het proces-verbaal, nummer PL0648/08-221912 (p. 131, 133, 134, 135 en 136), in de wettelijke vorm opgemaakt op 17 december 2008 door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, en [verbalisant 6], surveillant van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1]:

Op vrijdag 8 februari 2008 reden [verdachte] en ik omstreeks 15.30 uur in onze Volvo 440, kleur wit. Wij reden in de richting van Etten. Ik zag in de spiegel van mijn zonneklep een witte bestelbus snel op ons afkomen. Toen de witte bestelbus kwam aanrijden, kwam hij heel erg dicht achter ons rijden. Ik weet nog dat [verdachte] de rem heeft ingetrapt. Nadat [verdachte] de rem had ingetrapt, zag ik dat de witte bestelbus iets meer afstand nam. Als reactie op het intrappen van het rempedaal van [verdachte] zag ik in de binnenspiegel van mijn zonneklep dat de bestuurder van de witte bestelbus naar links ging rijden. Hierop heb ik ook direct over mijn linkerschouder gekeken en zag ik dat de witte bestelbus ons wilde gaan inhalen. Plotseling kwam de bus naast ons rijden. Ik weet nog wel heel goed wat de reactie van [verdachte] was. Het is voor mij een heel herkenbare reactie van [verdachte]. Toen de bus ons ging inhalen, reed de bus naast ons. Voor mijn gevoel reed de bus nagenoeg precies op gelijke hoogte met ons. Ik voelde toen dat [verdachte] gas bij gaf. Dit is gewoon een standaard reactie van [verdachte]. [verdachte] heeft dit al vaker in verkeersconflicten gedaan. Ik voelde gewoon dat [verdachte] het gas vol onderin trapte. Ik voelde de acceleratie heel goed van onze auto. Dit kan ik mezelf nog goed herinneren. Voor mijn gevoel werd ik nu gewoon achter in de stoel gedrukt. Ik weet dat de snelheid waarmee wij reden opliep. Onze auto en de witte bestelbus bleven korte tijd naast elkaar rijden. Plotseling zie ik uit tegenovergestelde richting, vanuit de richting Etten, meerdere personenauto's aan komen rijden. Ik zag op een gegeven moment dat de witte bestelbus sterk naar rechts stuurde. Ik zag en voelde toen dat dat de witte bestelbus in aanraking kwam met onze Volvo. Ik zag en voelde tevens een schok dat onze auto naar rechts gedrukt werd. Door deze schok kwamen wij met onze Volvo in de rechterberm terecht. De aanrijding tussen de witte bestelbus en onze Volvo vond plaats met de rechterachterzijde van de witte bestelbus ter hoogte van het rechterachterwiel met de linkervoorzijde van onze Volvo ter hoogte van het voorwiel. Omdat [verdachte] terugstuurde naar de rijbaan, dus naar links, schoot onze auto door naar de linkerrijstrook. Ik zag dat er voertuigen uit tegenovergestelde richting kwamen aanrijden. Ik weet nog dat wij de eerste auto nog maar net konden ontwijken. Met de tweede auto kwamen wij uiteindelijk frontaal in botsing.

8. Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris mr N.C. van Lookeren Campagne van 7 oktober 2009, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:

Ik heb op 17 december 2008 naar waarheid verklaard. Ik ben die datum volledig geweest. Op 8 februari 2008 waren [verdachte] en ik 's ochtends naar een begrafenis geweest. Het witte busje zag ik in de spiegel van de zonneklep die ik vanwege het zonlicht eerder al naar beneden had gedaan. Ik zag dat het busje met behoorlijke snelheid aankwam. [verdachte] heeft geremd. Heel kort daarna werden we ingehaald. Het busje haalde ons in. [verdachte] gaf toen gas bij, zodat de bus er niet voorbij kon. Dat was op het moment dat de bus opeens naast ons reed. Hij heeft het gaspedaal echt onderin ingetrapt. Ik voelde dat ik in de stoel werd gedrukt. Hij gaf gas bij zodat de auto op gelijke hoogte bleef met de bus en zodat deze er niet langs kon.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof te Arnhem van 4 juli 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1]:

Ik blijf bij mijn verklaring die ik bij de rechter-commissaris in oktober 2009 heb afgelegd. Ik weet dat ik toen nog heel goed in het verhaal zat. Ik ben van mening dat de bus ons ingehaald heeft en dat verdachte toen gas heeft gegeven. Als dat niet was gebeurd, had het ongeval niet plaatsgevonden.

10. Het proces-verbaal, nummer PL0642/08-221912 (p. 110), in de wettelijke vorm opgemaakt op 8 februari 2008 door [verbalisant 4], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2]:

Vandaag, vrijdag 8 februari 2008, omstreeks 16.15 uur ben ik vertrokken vanuit Terborg met mijn personenauto in de richting van Zeddam. Omstreeks 16.30 uur reed ik ter hoogte van de steenfabriek op de Terborgseweg. Achter mij reed een rode personenauto. Ik zag dat er na de bocht een witte personenauto vanuit Zeddam mij tegemoet kwam rijden. Ik zag dat deze witte personenauto kort daarna werd ingehaald door een witte bestelbus. Ik zag dat de bestelbus vervolgens weer naar zijn eigen weghelft stuurde. Tijdens het terugsturen naar de eigen weghelft zag ik de bestelbus wat omhoog komen en slingeren. Ik had al een idee dat dit niet goed kon gaan en om een aanrijding te voorkomen stuurde ik rechts de berm in. Op het moment dat de bestelbus mij passeerde keek ik in mijn binnenspiegel en zag ik dat er een aanrijding was ontstaan tussen de witte auto en de rode auto, een Renault Clio, die achter mij reed.

11. Het proces-verbaal, nummer PL0648/08-221912 (p. 112-113), in de wettelijke vorm opgemaakt op 9 februari 2008 door [verbalisant 7], brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2]:

In aanvulling op mijn eerder afgelegde verklaring over het verkeersongeval op 8 februari 2008 omstreeks 16.30 uur op de Terborgseweg te Azewijn wil ik nog het volgende verklaren.

Ik reed op de Terborgseweg in de richting Zeddam. Achter mij reed een rode Renault Clio personenauto. Ik naderde een bocht naar rechts. Juist toen ik deze bocht uitkwam, zag ik dat er mij twee tegenliggers naderden. Ze reden naast elkaar. Er reed een witte personenauto richting Etten. Hij werd ingehaald door de bestuurder van een witte bus. Dat busje reed geheel op mijn rijstrook.
Het snelheidsverschil tussen het inhalende voertuig en het ingehaald wordende voertuig was volgens mij niet erg groot. De voertuigen bleven erg lang naast elkaar rijden toen ze mij naderden. Toen ik ze voor het eerst zag, waren ze tussen de 100 en 150 meter bij mij vandaan."

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

3.2.

In het bestreden arrest heeft het Hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie in zijn hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard nu het vertrouwensbeginsel is geschonden. De raadsman heeft daartoe ter zitting het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft een brief van het arrondissementsparket te Zutphen, gedateerd 8 maart 2011, ontvangen waarin staat vermeld dat de officier van justitie in de onderhavige strafzaak op 16 december 2010 het hoger beroep heeft ingetrokken. Door de inhoud van deze brief is bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de strafzaak tegen hem is geëindigd.

Het hof overweegt als volgt.

Nadat verdachte in eerste aanleg op 16 april 2010 door de rechtbank te Zutphen is veroordeeld voor het hem onder 3 tenlastegelegde en is vrijgesproken voor het hem onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, is hiertegen door de officier van justitie op 22 april 2010 hoger beroep ingesteld. Op
16 december 2010 heeft de advocaat-generaal ter griffie van het gerechtshof Arnhem het hoger beroep ingetrokken ten aanzien van feit 3, het feit waarvoor verdachte door de rechtbank was veroordeeld tot een geldboete. Verdachte is vervolgens gedagvaard om op 23 december 2010 ter terechtzitting van dit hof te verschijnen. De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking op 8 oktober 2010 aan [betrokkene], de partner van verdachte, uitgereikt. Een afschrift van deze dagvaarding is op 5 oktober 2010 aan de raadsman verstrekt. Ter zitting zijn zowel verdachte als zijn raadsman niet verschenen. Op vordering van de advocaat-generaal is toen verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft de advocaat-generaal een vordering wijziging tenlastelegging gevorderd. De vordering is toegewezen waarop het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst teneinde de gewijzigde tenlastelegging aan verdachte te betekenen, met afschrift daarvan aan de raadsman. In de tussentijd heeft verdachte een brief van het arrondissementsparket Zutphen, gedateerd 8 maart 2011, ontvangen waarin staat vermeld dat het hoger beroep van de officier van justitie in deze zaak op 16 december 2010 was ingetrokken. Op 27 juni 2011 is de oproeping alsmede de gewijzigde tenlastelegging in persoon aan verdachte betekend en heeft verdachte afstand gedaan van de wettelijke termijn van dagvaarding.

Blijkens de akte intrekking hoger beroep van 16 december 2010 heeft de advocaat-generaal het eerder ingestelde hoger beroep tijdig en op de juiste wijze beperkt. Op 23 december 2010 heeft een zitting bij dit hof plaatsgevonden, voor welke zitting verdachte op de wettelijk voorgeschreven wijze (tijdig) is gedagvaard. Ook de raadsman heeft hiervan een afschrift gehad. Hieruit konden verdachte en zijn raadsman opmaken dat de behandeling van de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep een aanvang had genomen. Dat vervolgens een brief met de hiervoor omschreven inhoud is uitgegaan van de zijde van het parket is hoogst ongelukkig aangezien daardoor - mede gelet op de in de brief gebezigde onbepaalde formuleringen - misverstanden konden ontstaan. Gelet op de bovenstaande gang van zaken is het hof van oordeel dat verdachte aan de brief van 8 maart 2011 niet het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat de strafzaak tegen hem was geëindigd. Het hof verwerpt het verweer."

3.3.

In aanmerking genomen de vaststelling van het Hof dat de verdachte rechtsgeldig is opgeroepen voor de eerste terechtzitting in hoger beroep op 23 december 2010 en dat deze zitting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, geeft de verwerping door het Hof van het gevoerde verweer niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is die verwerping niet onbegrijpelijk, nu in die vaststellingen besloten ligt dat de appeldagvaarding voor de zitting van 23 december 2010 niet is ingetrokken, het appel ook niet (geheel) is ingetrokken op de voet van art. 453, eerste en tweede lid, Sv, terwijl na de aanvang van de behandeling op 23 december 2010 intrekking van het hoger beroep op grond van art. 453, eerste en tweede lid, Sv evenmin nog mogelijk was.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

4.2.

Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

4.3.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

4.4.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.

4.5.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

4.6.

In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof – dat de bewijsmiddelen niet heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid – tekort. De door het Hof kennelijk in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd: verhinderen dat een met hoge snelheid op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer inhalende auto kan terugkeren naar de eigen rijstrook – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

4.7.

Het middel is gegrond.

5 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.