Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:959

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12/00885
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:969, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de HR slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, zal de rechter zodanige f&o moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175.3 WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld. V.zv. het middel klaagt dat die motivering tekortschiet, faalt het.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1299
NJB 2013/2314
NJ 2014/27 met annotatie van N. Keijzer
VR 2014/3
AA20140118 met annotatie van T. Kooijmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/00885

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 februari 2012, nummer 20/001131-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.J.M. de Wild, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 08 oktober 2009 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mazda) daarmede rijdende over de weg, de Midden-Brabantweg (Provincialeweg N-261) en over de kruising van wegen, de Midden-Brabantweg (Provincialeweg N-261), de Heikantlaan en de Zevenheuvelenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

door roekeloos,

rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Midden-Brabantweg (Provincialeweg N-261) in de richting Tilburg-Centrum, en naderend voormelde kruising van wegen,

terwijl de op die Midden-Brabantweg, ter hoogte van voormelde kruising van wegen geplaatste voor het rechtdoorgaand en linksafslaand verkeer bestemde driekleurige verkeerslichten in zijn richting ROOD licht uitstraalden,

niet te stoppen, doch die kruising van wegen met een snelheid van ongeveer 115 kilometer per uur, via de linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer van die Midden-Brabantweg (Provincialeweg N-261) op te rijden,

zulks terwijl de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volvo) komend voor hem, verdachte, van links, van die Heikantlaan, bezig was voormelde kruising van wegen rechtdoorgaand op te rijden,

waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en voormeld motorrijtuig (personenauto, Volvo), ten gevolge waarvan dat motorrijtuig (personenauto, Volvo) in botsing is gekomen met een ter hoogte van meergenoemde kruising van wegen geplaatst reclamebord,

waardoor de bestuurder en een inzittende van meergenoemd motorrijtuig (personenauto, Volvo), respectievelijk genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], werden gedood."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg West, proces-verbaalnummer 2009183557-15, d.d. 19 februari 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende (pag. 3 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als relaas van voornoemde verbalisant:

Inzake een verkeersongeval met dodelijke afloop heb ik het navolgende onderzoek ingesteld. Op 8 oktober 2009 omstreeks 21.54 uur vond op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, provinciale weg N 261 - de Midden-Brabantweg - met de Heikantlaan/Zevenheuvelenweg, een aanrijding plaats tussen twee motorvoertuigen, personenauto's, waarbij twee dodelijke slachtoffers vielen.

Het verkeer op bovenvermelde kruising wordt ter plaatse geregeld door een verkeerslichtinstallatie, die op het moment van de aanrijding in werking was.

Betrokken motorvoertuig ( l Volvo)

Beide slachtoffers zaten in een Volvo personenauto, type S60, zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-BB].

Buiten de twee slachtoffers bevonden zich geen andere personen in de Volvo personenauto.

Personalia slachtoffers

De personalia van beide slachtoffers luiden:

- [slachtoffer 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats].

Slachtoffer [slachtoffer 2] overleed direct na de aanrijding.

- [slachtoffer 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [woonplaats].

Slachtoffer [slachtoffer 1], ernstig gewond geraakt, overleed, kort na de aanrijding, op 8 oktober 2009 in het Tweestedenziekenhuis te Tilburg.

Betrokken motorvoertuig (Mazda)

Het andere motorvoertuig betrof een Mazda personenauto, type 323F, grijs en voorzien van het kenteken [CC-00-DD].

Deze auto werd op het moment van de aanrijding bestuurd door:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [woonplaats].

Lijkschouw slachtoffers

Op 9 oktober 2009 werd door dr. J. Horvers, forensisch arts van de gemeentelijke Gezondheidsdienst West-Brabant, tevens gemeentelijke lijkschouwer, tussen 04.15 uur en 04.45 uur, de lijkschouw aan de stoffelijke overschotten van beide slachtoffers verricht.

Confrontaties dodelijke slachtoffers

De confrontaties vonden plaats op 9 oktober 2009 om respectievelijk 13.40 uur en 13.45 uur in uitvaartcentrum "Zuylen", gevestigd te Breda Tuinzigtlaan 1.

Daarbij werden de lichamen van de slachtoffers respectievelijk herkend als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

(...)

6. Het proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Geertruidenberg-Drimmelen, proces-verbaalnummer 2009183557-9, d.d. 9 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende (pag. 21 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 8 oktober 2009 omstreeks 21.55 uur was ik bestuurder van mijn personenauto, zijnde een Seat Leon, zwart van kleur.

Ik reed in privétijd over de Zevenheuvelenweg, komend uit de richting van De Reeshof en - gaand in de richting van Loon op Zand. Ter hoogte van het kruispunt Zevenheuvelenweg-N261-Midden Brabant weg, zijn verschillende rijstroken.

Aangezien ik linksaf moest in de richting van Loon op Zand, reed ik mijn auto op de meest links gelegen rijstrook. De rechts naast mij gelegen rijstrook was eveneens voor linksafslaand verkeer. Ik stond als eerste in de rij en het verkeerslicht stond op het moment dat ik kwam aanrijden op rood, waarop ik mijn personenauto tot stilstand bracht.

Na ongeveer 30 seconden, zag ik dat het verkeerslicht voor het verkeer dat de kruising diende over te steken groen licht uitstraalde. Gelijk hierop zag ik vanaf links een personenauto aan komen rijden uit de richting van Loon op Zand.

Deze auto was grijs van kleur. De bestuurder van deze auto reed met genoemde auto met hoge snelheid de eerdergenoemde kruising op. De exacte snelheid weet ik niet, maar ik zag wel dat dit zeker meer dan 50 kilometer per uur bedroeg.

Tevens zag ik aan de manier waarop deze auto aan kwam rijden, dat de bestuurder geen poging deed om zijn auto tot stilstand te brengen. De auto week niet af van de lijn waarin hij reed en er was geen geluid van extreem remmen te horen. Ongeveer op het midden van het kruispunt zag ik dat genoemd voertuig met hoge snelheid, wat zich uitte in een zeer harde klap, tegen een donkerkleurige personenauto aanreed.

Beide voertuigen werden door de klap over de kruising geschoven en hierbij kwam het grijze voertuig achterstevoren terecht tegen de verhoging in de vorm van een stoeprand waarop de verkeerslichten verankerd waren. Het andere voertuig werd, zo leek het, gelanceerd en kreeg daardoor een aanzienlijke snelheid. Het voertuig raakte een verkeerslicht, dat afbrak. Na ongeveer 20 meter kwam het voertuig tot stilstand.

7. Het proces-verbaal verhoor getuige van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg West, proces-verbaalnummer 2009183557-19, d.d. 10 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, voor zover inhoudende (pag. 47 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als op 10 oktober 2009 aan voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op 8 oktober 2009 rond 21.45 uur reed ik als bestuurder van mijn auto over de Heikantlaan in de richting van de kruising Heikantlaan - Midden Brabantweg - Zevenheuvelenweg. Ik was voornemens om bij die kruising rechtdoor te rijden richting de Zevenheuvelenweg. Er stond al een aantal auto's voor mij stil voor de stopstreep daar het verkeerslicht rood licht uitstraalde op dat moment. Op het moment dat ik bijna stil kwam te staan met mijn auto, sprong het verkeerslicht voor ons bestemd over van rood licht naar groen licht.

De stilstaande voertuigen voor mij trokken rustig op en ik trok ook op. Ineens zag ik van rechts over de Midden-Brabantweg, dus uit de richting Loon op Zand, een flits. Ik heb gezien dat twee auto's uit die richting kwamen aanrijden. Ik heb beide auto's met hoge snelheid het kruisingsvlak van bovengenoemde kruising zien oprijden. Ineens hoorde ik een keiharde klap en ik zag auto-onderdelen door de lucht vliegen. Het was voor mij duidelijk dat een van die twee auto's die met hoge snelheid het kruisingsvlak kwamen oprijden bij de klap van die aanrijding betrokken was.

Zoals uit mijn verklaring blijkt had het verkeer dat vanaf de Heikantlaan de kruising kwam oprijden groen licht.

Ik ben gelopen naar een grijskleurige auto die op het kruisingsvlak stilstond en ernstig beschadigd was.
Ik heb in die auto gekeken en zag er een manspersoon in zitten welke achter het stuur zat. Ik heb de auto waarmee de bestuurder van die grijze auto in aanrijding moet zijn gekomen een stuk verderop naast de weg tegen een reclamebord aan zien staan.

8. Het proces-verbaal verhoor getuige van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg West, proces-verbaalnummer 2009183557-16, d.d. 10 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, voor zover inhoudende (pag. 51 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als op 10 oktober 2009 aan voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Op 8 oktober 2009 rond 22.00 uur reed ik als bestuurder van mijn personenauto over de Heikantlaan te Tilburg. Ik was voornemens om bij de kruising Heikantlaan – Midden Brabantweg - Zevenheuvelenweg rechtdoor te rijden richting de Zevenheuvelenweg. Gekomen bij genoemde kruising moest ik remmen voor het voor mij bestemde verkeerslicht dat rood licht uitstraalde. Ik bracht mijn voertuig tot stilstand direct achter een donkerkleurige Volvo S80 (het hof begrijpt een Volvo S60).

Deze Volvo stond als eerste in de rij te wachten voor het rode verkeerslicht voor de stopstreep. We stonden beiden stil op de rijstrook voor het rechtdoorgaande verkeer. Even later zag ik dat het verkeerslicht voor ons bestemd van rood licht naar groen licht oversprong. De bestuurder van die Volvo trok normaal rustig op om het kruisingsvlak op te rijden. Ik trok ook rustig op om achter dat voertuig te blijven rijden.

Toen die Volvo halverwege het kruisingvlak was, zag ik vanuit mijn ooghoek op het allerlaatste moment van rechts over de Midden-Brabantweg, dus vanuit de richting Loon op Zand, een auto naderen. Het ging zo snel dat ik eigenlijk alleen maar zag dat die auto, naar ik later zag een grijze personenauto, met de voorzijde tegen de rechterflank van die Volvo reed.

Er was een ontzettend harde knal van die aanrijding hoorbaar. Ik zag ook dat die Volvo door de klap van de aanrijding voor mij gezien schuin links naar voren werd weggedrukt.

Volgens mij werkten alle verkeerslichten op die kruising normaal. Terwijl ik mij daar na de aanrijding bij de kruising bevond zag ik in ieder geval dat het verkeer uit alle richtingen dan weer stopte en dan weer optrok.

9. Het proces-verbaal verhoor getuige van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg-Oisterwijk, proces-verbaalnummer 2009183557-20, d.d. 10 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende (pag. 55 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als op 10 oktober 2009 aan voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 3]:

Ik was op 8 oktober 2009, omstreeks 22.00 uur, bestuurder van mijn personenauto, merk Peugeot 407 met kenteken [EE-00-FF], en reed daarmee over de Heikantlaan te Tilburg. Ik reed in de richting van de Zevenheuvelenweg en moest op dat moment stoppen voor de kruising omdat al twee voertuigen voor mij stilstonden te wachten voor het rode verkeerslicht. Ik had een goed overzicht op de kruising vanwege de verlichting ter plaatse. Op een gegeven moment sprong het verkeerslicht voor ons op groen en reed ik langzaam de kruising over. Ik zag dat er van rechts van mij gezien, vanuit de richting van Kaatsheuvel, een tweetal personenauto's kwamen aangereden. Ik zag dat deze twee auto's echt kwamen aanvliegen. Ik bedoel hiermee dat ze hard reden. Ik reed de kruising op. Ik zag dat de twee auto's die vanuit de richting van Kaatsheuvel door het rode licht heen reden, hard de kruising kwamen oprijden. Ik zag toen dat er een botsing ontstond tussen twee auto's. Dit betrof een zilverkleurige auto en een donkerkleurige auto. Ik weet voor 100% zeker dat de auto's die vanaf Kaatsheuvel kwamen aanvliegen, door het rode licht zijn gereden.

10. Het proces-verbaal verhoor getuige van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg-Oisterwijk, proces-verbaalnummer 2009183557-21, d.d. 10 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie,

voor zover inhoudende (pag. 61 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als op 10 oktober 2009 aan voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 4]:

Ik reed op 8 oktober 2009 in mijn zilverkleurige personenauto, merk Opel, type Corsa, met kenteken [GG-00-HH], over de N261 in de richting van Tilburg. Ongeveer rond 22.00 uur bracht ik mijn auto tot stilstand voor het verkeerslicht bij de kruising met de N-261 met de Zevenheuvelenweg/Heikantlaan.

Ik moest rechtdoor de kruising over en stond rechts voorgesorteerd voor de stoplichten. Ik stond te wachten voor het rode verkeerslicht. Ik stond als enig voertuig vooraan te wachten bij de verkeerslichten. Ik keek nog tijdens het afremmen voordat mijn auto tot stilstand kwam in de achteruitkijkspiegel van mijn auto. Ik zag dat er een auto aan kwam rijden.

Ik stond zo'n 8 à 10 seconden stil, te wachten voor de verkeerslichten. Ik zag opeens dat ik via mijn linkerzijde werd gepasseerd door een lichtgekleurde personenauto. Ik zag dat deze personenauto mij gigantisch hard voorbij kwam gereden en recht door het rode verkeerslicht reed waar ik op dat moment voor stond te wachten. Ik zag dat het verkeerslicht voor mij nog steeds rood licht uitstraalde.

Ik zag toen dat deze lichtkleurige personenauto met volle vaart tegen een andere personenauto aanbotste. Ik hoorde een harde/doffe klap en glasgerinkel toen deze botsing plaatsvond. Ik zag dat de auto waar de lichtkleurige auto tegenaan botste een donkerkleurige personenauto betrof. Ik zag dat de donkerkleurige auto tengevolge van de botsing in de richting van het grasveld schoot en uiteindelijk tegenover het bedrijf Vullings midden in het grasveld tot stilstand kwam.

11. Het proces-verbaal verhoor getuige van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Breda, Team Noodhulp Breda, proces-verbaalnummer 2009183557-5, d.d. 9 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende (pag. 79 e.v. van het doorgenummerd proces-verbaalnummer 2009183557-1):

als op 8 oktober 2009 aan voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 5]:

Op 8 oktober 2009 omstreeks 22.00 uur was ik bestuurder van mijn personenauto en reed daarmee over de Midden-Brabantweg komende vanaf Waalwijk en gaande naar Tilburg.

Bij de verkeerslichten bij Piet Klerkx stond ik voor de verkeerslichten stil toen ik in mijn achteruitkijkspiegel twee voertuigen met een flinke vaart aan zag komen rijden.

Dit betrof een nieuw type Volkswagen Golf 6, zilvergrijs van kleur, en een Nissan Almera (het hof begrijpt telkens in plaats van een Nissan Almera: een Mazda), zilvergrijs van kleur.

Ik zag dat de Nissan Almera als eerste voertuig reed en daarachter de Volkswagen Golf. Ik zag dat de Golf net voor de verkeerslichten de Nissan rechts inhaalde en hard op de rem ging.

Toen de verkeerslichten weer op groen sprongen trokken beide voertuigen hard op. Ik zag dat de inzittenden van beide voertuigen ruzie hadden met elkaar. Ik zag dat ze elkaar telkens inhaalden en dan weer hard remden.

Ik zag dat beide voertuigen op een gegeven moment zelf 40 kilometer per uur reden alwaar 100 gereden mag worden. Ik haalde de beiden voertuigen op dat moment in.

Bij een kruising, bij de verkeerslichten, zag ik dat beide voertuigen naast elkaar stonden en dat ze aan het bekvechten waren via het portierraam.

In de Nissan zat één manspersoon. Bij de kruising met de Efteling zag ik dat de Nissan hard gas gaf. Ik zag dat de snelheden hard opliepen omdat ze flink van me vandaan reden. Bij de volgende kruising liep ik weer in op beide voertuigen omdat de verkeerslichten weer op rood stonden.

Op de volgende kruising, de Midden-Brabantweg met de Heikantlaan, zag ik de aanrijding gebeuren.

De weg waarop wij reden heeft voorsorteervakken om linksaf en rechtsaf te slaan en om rechtdoor te rijden. Alle verkeerslichten stonden op rood. Ik zag dat op de voorsorteervakken voor rechtdoor een paar auto's stil stonden.

Ik zag dat de Nissan voor de Volkswagen Golf reed toen ze de kruising naderden.

Ik zag dat de Nissan vervolgens op de rijbaan voor linksaf ging rijden.

Ik zag dat de Nissan het rode verkeerslicht negeerde en rechtdoor de kruising opreed.

In eerste instantie was de kruising leeg, maar toen de Nissan de kruising opreed, hoorde ik een zeer harde klap en zag ik twee auto's voorbij schuiven.

Ik zag dat de Nissan een aanrijding had gehad met de auto welke van links de kruising opgereden kwam. Dit betrof een Volvo. De Nissan is in de flank van de Volvo gereden. De Volvo kwam uit de Heikantlaan gereden.

12. Het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van Politie Midden en West Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, BHV nummer 2009183557, d.d. 29 juli 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7], verkeersongevallenanalisten, voor zover inhoudende (pag. 1-40):

Ik, [verbalisant 6], hoofdagent van politie en medewerker van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, van de regiopolitie Midden en West Brabant, verklaar het volgende:

Op verzoek van de collega [verbalisant 8] van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg West, stelde ik op 8 oktober 2009, omstreeks 22.00 uur, een onderzoek in naar de juiste toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval. Het verkeersongeval had plaatsgevonden op 8 oktober 2009, omstreeks 21.30 uur.

De bestuurder van een Mazda personenauto was, rijdend over de Midden-Brabantweg in de richting van Tilburg, de kruising met de Zevenheuvelenweg opgereden en tegen de rechter zijde van een kruisende Volvo personenauto gebotst. Ten gevolge van dit ongeval overleden de twee inzittenden van de Volvo.

Op de aan mij verstrekte ontruimingsmatrix van de verkeersregel installatie op de ongevalslocatie zag ik dat bij op roodlicht gaan van verkeerslicht 11, een ontruimingstijd was ingesteld van 0 seconden. Na op rood gaan van verkeerslicht 11 gaat verkeerslicht 2 gelijk op groen licht.

Uit onderzoek bleek mij dat het botspunt circa 58 meter vanaf de stopstreep van verkeerslicht 2 was gelegen. Ten behoeve van dit ongeval was door collega's van het LVBT een onderzoek ingesteld naar de maximale haalbare snelheid van de Volvo op deze 58 meter. Hierbij was gebleken dat de Volvo bij voluit accelereren een snelheid kon bereiken van 66 km/h. Om deze snelheid te bereiken moest de Volvo accelereren met een versnelling van 2,9 m/s2. In dit geval duurde het 6,3 seconden voordat de Volvo de botsplaats bereikte.

Hieruit kan worden opgemaakt dat het verkeerslicht 11, de rijrichting van de Mazda, minimaal 6,3 seconden op rood stond voordat hij dit verkeerslicht passeerde en op de Volvo botste.

13. Het proces-verbaal van Politie Korps Landelijke Politiediensten, nummer 1323.2009/2010.0991, Dienst Operationele Samenwerking, LVBT, d.d. 18 augustus 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], inspecteur van politie en [verbalisant 10], brigadier van politie, voor zover inhoudende:

als verklaring van verbalisanten voornoemd (pag. 1-26):

Het onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een verkeersongeval dat plaatsgevonden heeft op 8 oktober 2009, omstreeks 21.30 uur, op het kruispunt Midden-Brabantweg/Zevenheuvelenweg/Heikantlaan, binnen de bebouwde kom van Tilburg, in de gemeente Tilburg.

Vraagstelling: Bepaal een indicatieve snelheid van beide voertuigen met behulp van een computersimulatie.

Na uitgebreid modelleren met gebruik van verschillende parameters is een simulatie ontstaan die de werkelijkheid het dichtst benaderd.

Hierbij stelden wij vast dat de botssnelheid van de Mazda ongeveer 115 km/h bedroeg.

Parameterverantwoording ten behoeve van de computersimulatie:

De parameters die door ons zijn gebruikt in deze simulatie zijn gebaseerd op het door ons ter plaatse onderzochte ongeval en de uit technisch voertuig- en aanvullende onderzoeken verkregen informatie. Deze informatie is door ons op waarde geschat en in het simulatieprogramma ingevoerd.

Toetsing simulatie

Voor het toetsen van de door ons uitgevoerde simulatie zijn de volgende criteria aangehouden en beoordeeld: uitloopbeweging en sporen betrokken voertuigen.

Uit de handmatige berekeningen is een indicatie van de minimum en maximumsnelheden van de Mazda en Volvo vastgesteld. Met deze waarden is door ons eveneens een simulatie gebouwd, met dezelfde voertuiginstellingen en parameters als de definitieve simulatie.

Naast de voornoemde simulaties zijn circa 100 simulaties uitgevoerd, waarbij gevarieerd is met diverse parameters.

Conclusie

Met in achtneming van de hiervoor verklaarde parameters en variabelen kan worden gesteld dat de best passende simulaties werden verkregen bij een botssnelheid van de Mazda die was gelegen bij 115 km/h. Deze snelheid staat het sterkst in relatie tot de eindpositie van de Mazda en de Volvo.

14. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, d.d. 19 januari 2012, opgemaakt in de zaak tegen de verdachte [verdachte] onder parketnummer 20-001131-11, voor zover inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Mijn laatste herinnering is dat ik op ongeveer 600 meter voor de kruising reed en dat door een andere personenauto een snijdende beweging in mijn richting werd gemaakt.

Ik heb de betreffende kruising met verkeerslichten gezien. Ik heb 75 km/u afgelezen op mijn kilometerteller op het moment dat de persoon links van mij mij met zijn auto naderde.

Ik heb drie dingen gezien en dat was de kilometerteller, de auto links van me en situatie voor me."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat van roekeloosheid geen sprake is, nu niet gesteld kan worden dat verdachte welbewust onaanvaardbare risico's heeft genomen, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd:

- dat niet bewezen kan worden, ook niet op basis van het technisch rapport, dat verdachte met een snelheid van ongeveer 115 km/u door rood licht is gereden;

- dat de verdachte heeft verklaard dat het laatste moment dat hij zich kan herinneren het moment was dat hij ongeveer 600 meter voor de kruising reed en dat hij zich niets meer van het ongeval zelf kan herinneren;

- dat de verdachte niet welbewust een bijdrage heeft geleverd aan de verkeersagressie voorafgaand aan het ongeval en dat hij mogelijk uit paniek heeft gehandeld of dat hij onder invloed van een doodsbedreiging heeft gehandeld.

Op basis van de stukken in het dossier overweegt het hof het navolgende.

Op 8 oktober 2009, omstreeks 21.54 uur, heeft op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Midden-Brabantweg met de Heikant/Zevenheuvelenweg, een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto's waarbij twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen.

De verdachte is die avond als bestuurder van een personenauto, merk Mazda, over de Midden-Brabantweg gereden in de richting van Tilburg. Bij het eerste verkeerslicht, gezien vanaf de Rijksweg A59, wilde de verdachte een voor hem rijdende Volkswagen Golf inhalen, terwijl die voorganger op de linkerrijstrook bleef rijden. Op het moment dat de verkeerslichten groen uitstraalden zijn beiden gelijktijdig opgetrokken. De verdachte heeft zijn snelheid opgevoerd en heeft bewust de maximaal toegestane snelheid overschreden. Hierop volgde een situatie waarbij verdachte en de door hem bij het wegrijden van de verkeerslichten voorgebleven Golf elkaar wisselend op de rechter- en linkerrijstrook inhaalden. Op enig moment zijn beide voertuigen met hoge snelheid afgereden op de kruising Midden-Brabantweg/Heikantlaan in de richting van Tilburg-Centrum. De verdachte is via de linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer de voormelde kruising opgereden, terwijl de verkeerslichten in zijn richting rood uitstraalden. Vervolgens is een aanrijding ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en een van links komende personenauto, merk Volvo, die bezig was om de kruising rechtdoorgaand op te rijden, waardoor de twee inzittenden van de Volvo werden gedood.

Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat verdachte niet bewust een bijdrage heeft geleverd aan de verkeersagressie voorafgaand aan het ongeval overweegt het hof het volgende.

Uit de verklaringen van de getuige [getuige 6] en [getuige 7] kan worden afgeleid dat niet alleen bij de bestuurder van de VW Golf sprake was van bijzonder verkeersgedrag, maar ook van de zijde van de verdachte. Op basis van de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg kan zelfs worden gesteld dat verdachte degene is geweest die het initiatief heeft genomen tot het verkeersgevaarlijke 'kat- en muisspel' voorafgaand aan de aanrijding.

Op 9 oktober 2009 heeft de verdachte bij de politie onder meer het volgende verklaard:

"Voordat ik voor dit verkeerslicht gestopt was, viel mij een Golf 6-serie op, omdat die op de linkerrijstrook bleef rijden terwijl de rechterrijstrook vrij was en ik er langs wilde. Ter hoogte van die verkeerslichten, stond die Golf op de linkerrijstrook en ik op de rechterrij strook. (...) Toen de verkeerslichten groen werden, zag ik dat wij beiden optrokken. Ik begon steeds harder te rijden. Ik reed op zijn hoogst 120 kilometer per uur. Ik zag dat die Golf mij bleef volgen. Ik vond dat niet zo erg. Ik had hem eerder namelijk zelf gevolgd. Ik reed continue op kop. Ik reed afwisselend op de rechter- en linkerrijstrook, aangezien ik af en toe auto's in moest halen.

Ik reed de hele tijd ongeveer 120 kilometer per uur. Volgens mij mag je daar 100 kilometer per uur rijden. Op een gegeven moment werd ik door die Golf ingehaald en schat dat die ongeveer 120 à 130 kilometer per uur reed. Ik reed op dat moment ter hoogte van een kleine afrit, gelegen aan het begin van een autowijk aan de rechterzijde van de weg gelegen op een industrieterrein, een aantal honderden meters van de verkeerslichten/kruising Heikant gelegen."

Op 23 februari 2011 heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer het volgende verklaard:

"Toen het groen werd, trok ik op en passeerde ik de auto's die eerder tussen ons opgesteld stonden. Ik merkte dat de Golf nog steeds op de linkerrijstrook bleef rijden, terwijl de rechter vrij was. Ik raakte hierdoor lichtelijk geïrriteerd en haalde de Golf via de rechterrij strook in. Toen merkte ik dat de Golf mij ging volgen. Ik denk nu dat het de bestuurder van de Golf geïrriteerd heeft, dat ik hem rechts voorbij ben gegaan. De situatie op de Midden- Brabantweg kende ik goed. Ik wist toen ook dat de maximum toegestane snelheid daar 100 kilometer per uur is en dat deze bij de aanloop naar kruisingen afloopt van 70 kilometer per uur naar 50 kilometer per uur bij de verkeerslichten. Ik probeerde de Golf voor te blijven, daarom ging ik hard rijden, te hard. Zo probeerde ik de Golf kwijt te raken. Ik bedacht mij dat ik weg zou kunnen komen als de Golf zich aan de verkeersregels zou houden. Daarom trapte ik het gaspedaal in tot ongeveer 140 kilometer per uur, maar de Golf bleef mij toch op korte afstand volgen. Ik zag dat een verkeerslicht op groen sprong toen ik daar net aan kwam rollen. Ik drukte kort op het rempedaal om een remreactie bij de bestuurder van de Golf teweeg te brengen."

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte op voornoemde kruising door rood licht is gereden. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 5] en wordt ook niet betwist door de verdediging. Uit de berekening van FTO volgt dat het verkeerslicht minimaal 6,3 seconden op rood heeft gestaan op het moment dat verdachte het verkeerslicht passeerde.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op ongeveer 600 meter voor de kruising het verkeerslicht heeft gezien. Het hof gaat er vanuit dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 115 km/u de kruising is opgereden. Daarbij neemt het hof in aanmerking het proces-verbaal van het KLPD, waarin het onderzoek staat beschreven naar de indicatieve snelheid van het voertuig van verdachte ten tijde van de aanrijding. De simulatie die het dichtst bij de werkelijkheid lag, werd verkregen bij een snelheid van ongeveer 115 km/u. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de uitkomst van dit onderzoek. Het hof neemt voorts in aanmerking de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij op ongeveer 600 meter vóór de kruising op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en dat hij zag dat hij ongeveer 75 km/u reed. Tot slot merkt het hof op dat de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat twee van rechts, vanuit Kaatsheuvel, komende auto's, zijn komen 'aanvliegen' en dat deze auto's hard de kruising zijn opgereden. Op grond van het dossier begrijpt het hof dat de verdachte de bestuurder van een van deze auto's is geweest.

Het hof vindt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat verdachte uit paniek of onder invloed van een doodsbedreiging heeft gehandeld. Ook indien de verdachte zich thans niet meer kan herinneren op welke wijze de aanrijding heeft plaatsgevonden, zegt dit niets over zijn toestand op het moment van handelen. Het hof heeft geen redenen om aan te nemen dat verdachte niet willens en wetens met hoge snelheid door het rode licht is gereden.

Het hof is van oordeel dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn overleden. Met de advocaat-generaal, en anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos. Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest. De verdachte heeft in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u overschreden door met een snelheid van ongeveer 115 km/u te rijden en vervolgens met die snelheid een kruising op te rijden, terwijl het verkeerslicht in zijn richting rood uitstraalde. De verdachte heeft hiermee onaanvaardbare risico's genomen.

Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De verweren van de verdediging worden verworpen."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

3.2.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

3.3.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

3.4.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.

3.5.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

3.6.

Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld.

3.7.

Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte, welk samenstel eruit bestaat dat de verdachte, kort gezegd, als bestuurder van een motorrijtuig, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een 'kat- en muisspel' verwikkeld was geraakt, met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur door rood licht een kruispunt is opgereden. Aldus heeft het Hof in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval in de hiervoor onder 3.4 en 3.5 bedoelde zin voordoet.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.