Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:955

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12/01119
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:967, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 56 Sv, onderzoek aan kleding. Het oordeel van het Hof dat in de vastgestelde omstandigheden ‘het een klein stukje oplichten van de rok’ geen onderzoek aan de kleding a.b.i. art. 56 Sv oplevert, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1304
NJB 2013/2316
NJ 2014/146 met annotatie van T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/01119

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 13 september 2011, nummer 21/004292-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op of omstreeks 1 juli 2010 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (kleding)stukken met een totale (verkoop)waarde van ongeveer € 272,87, toebehorende aan [A]."

2.3.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"3. Bewijsoverweging

Verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen:

(...)

b) Er is sprake van onvoldoende redelijk vermoeden van schuld. Nergens blijkt dat de verbalisanten er al vóór de aanhouding van verdachte van op de hoogte waren dat verdachte opvallend gedrag vertoonde. Het resultaat van het onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.

c) De fouillering moet onrechtmatig worden geacht. Er is sprake van een fouillering op grond van artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering. De rok van verdachte werd midden in de winkel opgetild en verdachte was nog niet aangehouden. Het resultaat van het onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.

(...)

De raadsman verzoekt de verdachte vrij te spreken van het haar tenlastegelegde.

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt.

(...)

b) Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak een redelijk vermoeden van schuld. Door het winkelpersoneel wordt een melding gemaakt van opvallend gedrag van de verdachte. De verdachte heeft zich achter een pilaar verstopt en is de hele tijd om zich heen aan het blijven kijken. Daarnaast constateerde één van de verbalisanten dat verdachte onder haar rok een dikke bult had zitten. Het hof constateert op basis van de foto in het dossier dat de bolling lager zit dan de buik van verdachte. Vervolgens heeft verdachte op de vraag van de verbalisant geantwoord dat zij niets onder haar rok had. Het hof acht derhalve voldoende ernstige bezwaren aanwezig.

c) Het hof benadrukt allereerst dat de rok van verdachte, zoals blijkt uit het proces-verbaal, slechts een klein stukje opgelicht werd. Het een klein stukje oplichten van de rok levert geen fouillering op in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof komt tot de conclusie dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en dat de verbalisanten gerechtigd waren tot het doen van onderzoek zoals door hen is uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebezigd tot het bewijs."

2.4.

Art. 56 Sv luidt als volgt:

"1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.

2. De officier van justitie kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht.

4. De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen wien ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleeding te onderzoeken."

2.5.

Het oordeel van het Hof dat in de vastgestelde omstandigheden "het een klein stukje oplichten van de rok" geen onderzoek aan de kleding in de zin van art. 56 Sv oplevert, is onjuist. Het middel klaagt daarover terecht.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.