Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:898

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
11/04842
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6850, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:901, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1.Gewoontewitwassen. Art. 420ter Sr. Voorhanden hebben voorwerp afkomstig uit zelf begaan misdrijf. 2. Svm. en vervangende hechtenis. Art. 36f. 3 (oud) Sr en art. 24c Sr. Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010BM4440 en ECLI:NL:HR:2013BX6910. Met zijn op zijn vaststellingen gebaseerde oordeel “dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen” heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat verdachte in de periode waarin door hem geldbedragen van zijn bankrekening werden opgenomen en nadien, die bedragen niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) waren gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. O.g.v. art. 36f.3 (oud) Sr i.v.m. art. 24c Sr kan bij het opleggen van een de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag i.c., waarin sprake is van samenloop a.b.i. art. 57 Sr, ingevolge art. 60a Sr i.v.m. art. 24c.3 Sr ten hoogste een jaar bedragen. Het Hof heeft de vervangende hechtenis op (in totaal) meer dan een jaar bepaald. Het middel is terecht voorgesteld. De HR vermindert zelf de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar en vermindert de opgelegde straf i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 24c
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420quater
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1202
NJ 2013/496
NJB 2013/2261
NBSTRAF 2013/324
VA 2014/15
JIN 2013/207 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2013-0384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2013

Strafkamer

nr. 11/04842

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 2011, nummer 23/000582-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en de opgelegde vervangende hechtenis inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde gewoontewitwassen oplevert.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 26 november 2008, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens geldbedragen uit prostitutiewerkzaamheden van vrouwen voorhanden gehad, te weten

- ten aanzien van [betrokkene 1] een bedrag en

- ten aanzien van [betrokkene 2] een bedrag

terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft met betrekking tot de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde overwogen:

"De raadsman heeft - subsidiair en onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 (LJN: BM4440) - bepleit dat het enkele voorhanden hebben van door eigen crimineel handelen verworven geld niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

Het hof overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een vrouw ertoe heeft gebracht jarenlang in de prostitutie werkzaam te zijn en dat hij zich (een groot deel van) de door die vrouw verdiende gelden heeft toegeëigend. Daarnaast heeft hij zich door middel van misbruik van overwicht en misleiding (een groot deel van) de door een andere vrouw in de prostitutie verdiende gelden toegeëigend. Het ging daarbij telkens om aanzienlijke bedragen.

De verdachte heeft verklaard dat hij geen geld heeft, maar dat hij daarentegen schulden heeft (persoonsdossier, pagina 20001 e.v.). Op de bankrekening van de verdachte bij de ABN-AMRO Bank is in de periode van 1 november 2003 tot en met juni 2007 voor een bedrag van ruim € 255.000,- aan contante stortingen gedaan. Zijn partner, [betrokkene 3], heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij nooit heeft geweten van de stortingen op die rekening en dat zij er niet naar om heeft gekeken. Het hof gaat er, gelet op die verklaring, van uit dat deze stortingen door de verdachte zijn gedaan. In de tweede helft van 2007 heeft de rekening een debetstand bereikt, die ook in 2008 heeft voortgeduurd. Ook nader onderzoek heeft niet geleid tot het terugvinden van deze aanzienlijke geldbedragen, afgezien van de bij de verdachte in beslag genomen flatscreens, een stereoset en sieraden, alsmede een aantal enveloppes met contant geld tot een bedrag van € 5.600,-.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het onder 4 bewezen verklaarde feit als gewoontewitwassen dient te worden gekwalificeerd."

2.2.3.

Onder 2 en 3 is ten laste van de verdachte - kort gezegd - bewezenverklaard "mensenhandel" ten aanzien van de in het onder 4 bewezenverklaarde genoemde personen.

2.3.

Art. 420bis Sr luidt:

"1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

Art. 420ter Sr luidt:

"Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

2.4.1.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.
Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16).
Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

2.4.2.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.
Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

2.5.

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden gehad hebben van voorwerpen - te weten geldbedragen - in de periode van 14 december 2001 tot en met 26 november 2008 die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven (mensenhandel) en ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zulks "van het plegen van witwassen een gewoonte maken" oplevert. Het Hof heeft in zijn nadere overweging vastgesteld dat de verdachte in de periode van 1 november 2003 tot en met juni 2007 geldbedragen van ruim € 255.000,- contant op een bankrekening heeft gestort, maar dat die rekening in de tweede helft van 2007 een debetstand heeft bereikt die ook in 2008 heeft voortgeduurd en dat nader onderzoek niet of nauwelijks heeft geleid tot het terugvinden van die gestorte bedragen. Met zijn op die vaststellingen gebaseerde oordeel "dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen" heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte in de periode waarin door hem geldbedragen van zijn bankrekening werden opgenomen en nadien, die bedragen niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) waren gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen.

2.6.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - ook in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld - toereikend gemotiveerd.

2.7.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.

3.2.

De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van respectievelijk € 81.873,-, € 76.200,- en € 494,07. Daarbij heeft het Hof de vervangende hechtenis bepaald op respectievelijk 365, 365 en 9 dagen.

3.3.

Op grond van art. 36f, zesde lid (oud), Sr in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen.

3.4.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal de duur van de vervangende hechtenis verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] bepaalde vervangende hechtenis; vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 81.873,- ten behoeve van [betrokkene 2] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 180 dagen vervangende hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 76.200,- ten behoeve van [betrokkene 1] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 180 dagen vervangende hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 494,07 ten behoeve van [betrokkene 4] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 5 dagen vervangende hechtenis;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013.