Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:896

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
11/04274 E
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2663, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:899, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2013:885 wat betreft art. 1.2 Sr en vermindert de opgelegde geldboete i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1212
SR-Updates.nl 2013-0380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2013

Strafkamer

nr. 11/04274 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 13 september 2011, nummer 20/003372-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 1, tweede lid, Sr niet van toepassing is.

2.2.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 augustus 2007 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk dieren en eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of uitheemse diersoort, te weten - zogenaamde miereneieren, althans mierenpoppen van de Formica rufa en/of de Formica polyctena en

- twee kneuen en een boomleeuwerik en

- een Europese eekhoorn en

- wilde konijnen

heeft gekocht, verkocht, buiten Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad."

2.3.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"K.1

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte van het onder 1. ten laste gelegde ten aanzien van de boomleeuwerik moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de ringmaat van de boomleeuwerik in 2009 is aangepast van 2,5 millimeter in 3,2 millimeter, zodat toepassing zou moeten worden gegeven aan het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof begrijpt het verweer aldus dat door toepassing van deze wijziging verdachte zich kan beroepen op de vrijstelling van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten, zodat het bewezen verklaarde ten aanzien van de boomleeuwerik niet strafbaar is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

K.2

Op grond van artikel 5 juncto bijlage 1 bij de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens zoals deze luidde ten tijde van het ten laste gelegde moest de boomleeuwerik zijn voorzien van een in Nederland afgegeven gesloten pootring met een maximale diameter van 2,5 millimeter.

Thans zou de boomleeuwerik op grond van artikel 5 juncto de bijlage bij de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens moeten zijn voorzien van een in Nederland afgegeven gesloten pootring met een maximale diameter van 3,2 millimeter, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot noodzakelijk is.

K.3

De toelichting bij de wijziging van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens houdt het volgende in:

"Op grond van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en artikel 12 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geldt een aantal vrijstellingen van onder meer het verbod op het onder zich hebben van in gevangenschap geboren en gefokte vogels.

Omdat lastig controleerbaar is of een vogel gefokt is, dan wel in het wild is gevangen, is aan de vrijstellingen de voorwaarde verbonden dat de vogel - buiten enkele specifieke situaties - voorzien moet zijn van een naadloos gesloten pootring. De regeling voorziet in technische eisen waaraan gesloten pootringen moeten voldoen en nadere regels over de aanvraag, afgifte, kosten en het gebruik van in Nederland uit te reiken gesloten pootringen.

Met de regeling is beoogd om een systeem te creëren dat waarborgt dat naadloos gesloten pootringen uitsluitend worden aangebracht op vogels die daadwerkelijk in gevangenschap geboren en gefokt zijn. Dit systeem kent de volgende elementen.

De bijlage bij de regeling bevat per vogelsoort voorgeschreven ringmaten.

(...)

Met de wijziging van de regeling worden voorts enkele knelpunten in de praktijk opgelost.

(...)

Het tweede knelpunt betreft het systeem van maximale diametermaten voor de gesloten pootringen per vogelsoort. De voorgeschreven maten zijn afgestemd op de gemiddelde dikte van de poten van gefokte vogels die pas geboren zijn. Naarmate met vogels doorgefokt wordt, worden de vogels in de regel forser en worden de poten dikker. Gelet hierop past de voorgeschreven ringmaat per vogelsoort niet altijd om de poot van een in gevangenschap gefokte vogel van deze soort. De voorziening die daarvoor in de regeling is opgenomen betreft het introduceren van de mogelijkheid voor de vogelhouders om voor het ringen van in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels gesloten pootringen te gebruiken met een diameter die groter is dan de maximale diameters die genoemd zijn in de bijlage bij de regeling. Hiertoe wordt aan artikel 5 een tweede lid toegevoegd (artikel I, onderdeel B). Op het moment dat een jonge vogel geringd moet worden en de voorgeschreven ringmaat blijkt te klein te zijn, mag een ring met een grotere diameter worden gebruikt. De houder van de vogel dient dan wel aannemelijk te kunnen maken dat het gebruik van een pootring met de in de bijlage vastgestelde maximale diameter niet mogelijk is."

K.4

Uit het hiervoor onder K.3 weergegevene volgt dat de wijziging niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van vóór de inwerkingtreding van de wijziging gepleegde overtredingen van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Derhalve wordt het recht dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde feit toegepast.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer."

2.4.

De wijziging van het Besluit vrijstelling beschermde dier- of plantensoorten (Stb. 2000, 525) als in de overwegingen van het Hof bedoeld, vloeit niet voort uit een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de regelwijziging begane strafbare feiten (vgl. HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:885).Het oordeel van het Hof is derhalve juist.

2.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 4.500,– subsidiair 55 dagen hechtenis.

5 Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert de geldboete in die zin dat deze € 4.275,– bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 52 dagen bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013.