Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:879

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
12/02589 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:882, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Rechtsbijstand. Het Hof heeft klaarblijkelijk noch in de uit het pr-v ttz. in h.b. blijkende f&o omtrent de persoon en de persoonlijkheid van betrokkene noch in de omstandigheid dat de betrokkene krachtens een bevel medebrenging onvrijwillig ttz. was verschenen, aanleiding gevonden voor nader onderzoek of de betrokkene - met het oog op waarborging van diens recht op een eerlijk proces - bijstand van een raadsman behoefde. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweven als het is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, kan dat oordeel niet verder op juistheid worden onderzocht. Gelet op het verhandelde ttz. zoals daarvan blijkt uit voormeld p-v, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/02589 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 9 november 2011, nummer 24/002539-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.J. Jansma, advocaat te Kampen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof niet zonder nader onderzoek had mogen aannemen dat de betrokkene in staat was zonder bijstand van een rechtsgeleerd raadsman behoorlijk zijn verdediging te voeren.

2.2.

De betrokkene is in de strafzaak bij vonnis van 8 oktober 2008 van de Politierechter te Groningen veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, aanhef en onder A, Opiumwet gegeven verbod. De onderhavige zaak betreft de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie.

2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2011 houdt het volgende in:

"De voorzitter stelt vast dat veroordeelde door middel van een bevel medebrenging op de terechtzitting aanwezig is zonder advocaat. Het hof heeft een brief, gedateerd 19 mei 2011 van de advocaat van veroordeelde, mr. S.R. Heeg, ontvangen waarin deze het hof heeft bericht zich terug te trekken als raadsvrouw aangezien zij geen contact heeft kunnen krijgen met veroordeelde.

De veroordeelde geeft aan geen prijs te stellen op bijstand door een advocaat.

(...)

De voorzitter stelt aan de orde de reden van het beroep door de veroordeelde. De veroordeelde deelt mede het niet eens te zijn met de berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

U houdt mij voor dat ik ter zitting van de politierechter een verklaring heb afgelegd.

Dat klopt. Ik heb in het door mij gehuurde en bewoonde pand in [plaats] een hennepkwekerij aanwezig gehad. Er zijn geen oogsten mislukt. Een opbrengst van 28 gram per plant klopt niet. Ik gebruik 27.000 kWh per jaar, in ieder geval veel stroom, ook nu nog.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak.

Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte als volgt - zakelijk weergegeven -:

Ik blijf bij wat ik in eerste aanleg heb verklaard tegenover de rechtbank Groningen. Ik heb niet meer dan 10 tot 15 gram hennep per plant geoogst. Ik heb ook niet zo veel planten per m2. Ik heb geen stukken bij mij. Er zijn geen oogsten mislukt. Er is een groot verschil in het verbruik in electriciteit van een gezin en een normaal verbruik. Ik verbruik veel stroom want ik heb waterbedden en een zonnebank.

Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt – zakelijk weergegeven -:

Ik weet niet hoe Essent bij een verbruik van 60.516 kWh komt over de periode van oktober 2006 tot en met 1 mei 2007. Dat is meer dan mijn aangegeven verbruik. Ik denk dat er ergens elektriciteit weglekt.

De voorzitter stelt de persoonlijke omstandigheden aan de orde. De veroordeelde deelt het volgende mede - zakelijk weergegeven -:

Ik heb een viskraam op de bedrijfsboulevard te [plaats]. Ik verdien daar mijn brood mee. Het is een gezinsbedrijf. Mijn schulden zijn onder meer investeringskosten en belastingschulden en belopen ongeveer € 30.000,-."

2.4.

Het Hof heeft klaarblijkelijk noch in de uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkende feiten en omstandigheden omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de betrokkene noch in de omstandigheid dat de betrokkene krachtens een bevel medebrenging onvrijwillig ter terechtzitting was verschenen, aanleiding gevonden voor nader onderzoek of de betrokkene - met het oog op waarborging van diens recht op een eerlijk proces - bijstand van een raadsman behoefde. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweven als het is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, kan dat oordeel niet verder op juistheid worden onderzocht. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting zoals daarvan blijkt uit voormeld proces-verbaal, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013.