Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:878

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
12/05777 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:881, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BV7927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Gasflessen (drukhouders). In aanmerking genomen dat het etiketteringsvoorschrift zoals vervat in het ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route) ertoe strekt dat met het oog op een doeltreffende bescherming van mens en milieu snel en eenvoudig kan worden vastgesteld of gevaarlijke stoffen worden vervoerd en zo ja welke, geeft ’s Hofs oordeel dat elke gevulde althans niet geheel lege drukhouder diende te zijn voorzien van een gevaarsetiket en dat zulks niet anders is doordat alle houders dezelfde stof bevatten en in dezelfde kooi werden vervoerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering. Tegen de achtergrond van ’s Hofs kennelijke oordeel dat van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de houders vloeistof bevond, moet worden afgeleid dat de inhoud van de houders nog onder druk stond, geeft ’s Hofs oordeel dat niet kan worden gezegd dat de houders leeg waren i.d.z.v. het ADR, randnummer 5.2.2.2.1.2, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel is voorts zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1227
Milieurecht Totaal 2013/6045 met annotatie van C.D.V. Efstratiades
M en R 2014/3
SR-Updates.nl 2013-0393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/05777 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 28 februari 2012, nummer 21/001026-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats].

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.Q. Vallenduuk-Bobeck, advocaat te Zaandam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 14 mei 2009 te Woerden, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met een vervoermiddel, dat is aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, van genoemde wet, anders dan met nachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij met een vervoermiddel, te weten een vrachtwagen (kenteken [AA-00-BB]), gevaarlijke stoffen, te weten drukhouders met propaan en/of butaan (UN 1965), over de snelweg A12 te Woerden, over land, vervoerd, zulks terwijl in strijd met randnummer 5.2.2.1.1. van de ADR niet voor elk voorwerp en/of elke stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2, de in kolom (5) getoonde etiketten waren aangebracht, terwijl niet door een bijzondere bepaling in kolom (6)anders werd bepaald, immers was op 7, drukhouders met propaan en/of butaan in het geheel geen etiket aangebracht."

2.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2009012857-1, gedateerd 5 juni 2009, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 14 mei 2009 zag ik dat met een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], werd gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A12, binnen de gemeente Woerden.

Ik gaf de bestuurder van dit motorrijtuig een stopteken. Nadat dit motorrijtuig tot stilstand was gebracht zag ik dat het een transporteenheid (vrachtauto) betrof, beladen met metalen en kunststof drukhouders, als bedoeld in 1.2.1 van de bijlage I van het de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Deze bijlage 1 wordt in dit proces-verbaal verder aangeduid als ADR.

Ik stelde een onderzoek naar dit transport in en stelde vast, dat er vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvond als bedoeld in 1.2.1 ADR. Ik stelde vast dat de volgende stof was geladen:

UN nummer: 1965

Stofnaam: propaan/butaan

Hoeveelheid: diverse drukhouders

Deze stof is een stof als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Bij onderzoek stelde ik vast dat dit vervoer van gevaarlijke stoffen niet conform de voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen werd verricht.

Ik zag dat van de 29 kunststof drukhouders bevattende de stof propaan (UN nummer 1965) de etikettering van de verpakking niet conform het voorschrift 5.2.2 ADR was uitgevoerd. Ik zag namelijk dat in tegenstelling tot het vereiste in 5.2.2.1 ADR er op 7 van de 29 kunststof drukhouders in het geheel geen etiket op de verpakking was aangebracht. Deze 29 drukhouders waren vervaardigd van een doorzichtig materiaal waardoor zichtbaar was dat deze gedeeltelijk gevuld waren met bovenvermelde stof en derhalve niet konden worden aangemerkt als lege/ongereinigde verpakkingen dan wel drukhouders.

2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2009012857-1, gedateerd 5 juni 2009, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik stelde de chauffeur in kennis van de door mij vastgestelde overtreding. De chauffeur gaf op te zijn [betrokkene], die verklaarde:

Ik ben als chauffeur in dienst bij [verdachte] te [vestigingsplaats]. In opdracht van mijn werkgever haal en breng ik gasflessen bij diverse klanten. Naast diverse metalen gasflessen heb ik ook 29 kunststof drukhouders bij mij."

2.2.2.

Het Hof heeft voorts nog met betrekking tot het bewijs overwogen:

"De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat het dossier onvoldoende feitelijkheden bevat om te kunnen vaststellen dat er in de drukflessen waarop geen etiket aanwezig was gevaarlijke stoffen werden vervoerd in de zin van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het ADR, nu de flessen leeg terugkwamen van een klant.

Het hof verwerpt dit verweer. Verbalisant [verbalisant] heeft in het door hem op ambtseed opgemaakte proces-verbaal Wet vervoer gevaarlijke stoffen van 5 juni 2009 gerelateerd, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven-:

'Ik zag dat het een vrachtauto betrof beladen met metalen en kunststof drukhouders als bedoeld in artikel 1.2.1 van de ADR. Ik stelde vast dat propaan/butaan was geladen. Ik zag dat op 7 van de 29 kunststof drukhouders in het geheel geen etiket op de verpakking was aangebracht. Deze drukhouders waren vervaardigd van een doorzichtig materiaal waardoor zichtbaar was dat deze gedeeltelijk gevuld waren met bovenvermelde stof en derhalve niet konden worden aangemerkt als lege/ongereinigde verpakkingen dan wel drukhouders.'

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van voornoemd proces-verbaal te twijfelen. In het verweer ligt, mede gelet op de feitelijke toelichting die de vertegenwoordiger van verdachte heeft verstrekt op de zitting van het hof, besloten dat ter zake doet dat het ging om flessen die retour kwamen (bij de afnemers van verdachte waren opgehaald) om opnieuw te worden gevuld. Maar ook dat maakt het beeld niet anders. De achtergrond van de eis dat dergelijke flessen met daarin propaan of butaan van etiketten zijn voorzien is klaarblijkelijk dat tijdens het vervoer, bij een controle van de vervoerder gemakkelijk vastgesteld moet kunnen worden wat hij vervoert en welk risico dat vervoer oplevert. In die belichting past dat ook van flessen (drukhouders) die niet helemaal leeg zijn snel te zien moet zijn wat zij (in dat geval) aan mogelijke restanten bevatten. Als het om restanten gaat is het risico, naar het hof wel wil aannemen geringer, maar dat belang is er ook dan nog steeds. De stelling van de raadsvrouw dat niet alle drukflessen afzonderlijk van een etiket hadden moeten worden voorzien, nu de flessen met meerdere in een kooi werden vervoerd en een aantal flessen wel was geëtiketteerd en derhalve de vervoerde 'substantie' als geheel was geëtiketteerd, berust op een - mede gelet op de strekking van het voorschrift - onjuiste lezing van het ADR ("article or substance"). De regel luidt dan dat voor elke afzonderlijke gevulde of althans niet helemaal lege drukhouders geldt dat een gevaaretiket verplicht is. Daaraan doen niet af de omstandigheid dat het controleren van de drukhouders meer tijd zal kosten dan het achterwege laten daarvan en de - overigens niet zonder meer aannemelijke - omstandigheid dat branchegenoten niet elke drukfles van een etiket voorzien.

Het opzet leidt het hof af uit de omstandigheid dat de drukhouders zichtbaar nog gedeeltelijk gevuld waren, zodat dit niet aan verdachtes chauffeur kan zijn ontgaan."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat elke afzonderlijke drukhouder een gevaarsetiket diende te dragen.

3.2.

Het Hof heeft vastgesteld dat een chauffeur in dienst van de verdachte met een vrachtwagen 29 in een kooi geplaatste drukhouders met propaan en/of butaan heeft vervoerd waarvan 7 nog gedeeltelijk waren gevuld en niet voorzien van een gevaarsetiket.

3.3.

Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de weergave daarvan in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 en 3.5. Voor de beoordeling van het middel gaat het meer in het bijzonder om de uit het ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route) volgende verplichting dat "elk voorwerp of elke stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2" bij het vervoer over de weg is voorzien van een etiket zoals nader vastgesteld in randnummer 5.2.2.1.1 van bijlage A bij het ADR. Propaan en butaan zijn in genoemd hoofdstuk 3.2 vermeld als gevaarlijke stoffen. Voor lege, ongereinigde drukhouders geldt dat zij mogen worden vervoerd met verouderde of beschadigde etiketten teneinde opnieuw gevuld dan wel onderzocht te worden en een nieuw etiket overeenkomstig de geldende voorschriften aan te brengen, of met het doel de drukhouders te verwijderen (randnummer 5.2.2.2.1.2).

3.4.

In aanmerking genomen dat vorenbedoeld etiketteringsvoorschrift ertoe strekt dat met het oog op een doeltreffende bescherming van mens en milieu snel en eenvoudig kan worden vastgesteld of gevaarlijke stoffen worden vervoerd en zo ja welke, geeft 's Hofs oordeel dat elke gevulde althans niet geheel lege drukhouder diende te zijn voorzien van een gevaarsetiket en dat zulks niet anders is doordat alle houders dezelfde stof bevatten en in dezelfde kooi werden vervoerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof de niet van een gevaarsetiket voorziene drukhouders ten onrechte niet als leeg heeft aangemerkt.

4.2.

Het Hof heeft vastgesteld dat de in het middel bedoelde drukhouders gedeeltelijk gevuld waren met vloeistof. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de houders vloeistof bevond, moet worden afgeleid dat de inhoud van de houders nog onder druk stond. Tegen die achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de drukhouders leeg waren in de zin van het ADR, randnummer 5.2.2.2.1.2, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

4.3.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013.