Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12/03746
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3881, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Onteigening mede ten behoeve van winning bodembestanddelen (Titel IIC Ow). Art. 40c Ow. Eliminatieregel. Waardebepaling volgens vergelijkingsmethode en residuele methode. HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151, en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349. Kan bij residuele methode worden aangesloten bij exploitatiebegroting van andere, met het werk vergelijkbare projecten? Premie uit handen breken. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC4226, NJ 1996/84, en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2283, NJ 2004/507. Passeren essentiële stelling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1152
NJB 2013/2199
NJ 2014/221 met annotatie van Prof. mr. F.C.B. van Wijmen
JWB 2013/480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2013

Eerste Kamer

12/03746

LZ/EE

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

 

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelende te ’s-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. M.W. Scheltema en
mr. R.T. Wiegerink,

t e g e n

[A],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [A].

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 102576/HA ZA 10-552 van de rechtbank Roermond van 10 november 2010 en 23 mei 2012.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 23 mei 2012 heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[A] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [A] heeft bij brief van 21 juni 2013 op die conclusie gereageerd. De advocaten van de Staat hebben eveneens bij brief van 21 juni 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij Koninklijk Besluit van 29 september 2009, nr. 09.002766 (Stcrt. van 27 oktober 2009, nr. 16302) zijn drie perceelsgedeelten in de gemeente Bergen ter onteigening aangewezen. De perceelsgedeelten waren eigendom van [A].

(ii) De onteigening geschiedde ten behoeve van de aanleg van de Hoogwatergeul Well-Aijen op de rechteroever van de Maas. Omdat het werk Hoogwatergeul Well-Aijen naast de aanleg van een hoogwatergeul bestaat uit de winning van vrijkomende delfstoffen (zand en grind), vond de onteigening plaats op basis van zowel titel IIa (onteigening ten behoeve van – onder andere – verbetering of verruiming van rivieren) als titel IIc (onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen) van de Onteigeningswet.

(iii) De onteigende perceelsgedeelten waren onbebouwd en in gebruik als landbouwgrond.

3.2.1

In haar tussenvonnis heeft de rechtbank ten name van de Staat en ten algemenen nutte de vervroegde onteigening van de perceelsgedeelten uitgesproken. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 30 december 2010 ingeschreven in de openbare registers.

3.2.2

In haar eindvonnis heeft de rechtbank de door de Staat aan [A] verschuldigde schadeloosstelling, conform het advies van de deskundigen, vastgesteld op € 817.250,-- als vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende en op € 108.280,-- als vergoeding voor bijkomende schade (premie uit handen breken en transactiekosten), derhalve in totaal op € 925.530,--.

3.3.1

Onderdeel 1.2 van het middel betoogt dat voor zover de rechtbank in rov. 2.14 en 2.17, in navolging van de deskundigen, ten behoeve van de waardebepaling van het onteigende de residuele methode heeft gehanteerd, zij heeft miskend dat deze methode uitsluitend kan worden toegepast op basis van de (te verwachten) exploitatiegegevens van het project waarvoor wordt onteigend, en zich niet leent voor toepassing op basis van gegevens van een ander project.

3.3.2

De onderhavige onteigening heeft betrekking op gronden waarin zich bodembestanddelen bevinden die zullen worden gewonnen bij de uitvoering van het werk waarvoor wordt onteigend. Weliswaar schrijft de eliminatieregel van art. 40c Ow voor dat bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak geen rekening wordt gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door – onder meer – het werk waarvoor onteigend wordt, maar deze regel staat niet eraan in de weg dat bij de vaststelling van de waarde van het onteigende aan de aanwezigheid van de hiervoor bedoelde bodembestanddelen ten gunste van de onteigende meerwaarde wordt toegekend (vgl. HR 2 december 1959, NJ 1960/99). Dit uitgangspunt wordt in cassatie terecht niet bestreden.

3.3.3

Bij het bepalen van de waarde van het onteigende is de onteigeningsrechter vrij die methode van waardering te kiezen die naar zijn oordeel voor de waardevaststelling het meest geschikt is (vgl. HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151, en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349). Het stond de rechtbank derhalve vrij om, in navolging van de deskundigen, de waarde van de bodembestanddelen te bepalen met behulp van een combinatie van de vergelijkingsmethode – dat wil zeggen: een berekening door vergelijking met andere (vergelijkbare) grondverwervingstransacties – en de residuele methode – dat wil zeggen: een berekening op basis van de winningsexploitatie van het onderhavige project. Een en ander wordt in cassatie evenmin bestreden.

3.3.4

Bij toepassing van de residuele methode staat het de onteigeningsrechter vrij om aansluiting te zoeken bij de exploitatiebegroting die de onteigenaar voor de winning van de bodembestanddelen heeft opgesteld. Ontbreekt een dergelijke exploitatiebegroting voor het werk waarvoor wordt onteigend – zoals hier het geval is – dan staat niets eraan in de weg dat gebruik wordt gemaakt van exploitatiegegevens van met het werk vergelijkbare projecten. Voor zover de deskundigen en de rechtbank toepassing hebben gegeven aan de residuele methode, mochten zij dan ook gebruik maken van de exploitatiegegevens met betrekking tot een volgens hen vergelijkbaar project, het project Bosscherveld. Hierop stuiten de klachten van onderdeel 1.2 af.

3.4.1

Onderdeel 5 bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 2.30 dat [A] op grond van hetgeen daartoe door hem is aangevoerd, voldoende belang heeft bij aankoop van vervangende grond op korte termijn, zodat hem een ‘premie uit handen breken’ toekomt.

3.4.2

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de onteigende die als gevolg van de onteigening komt te verkeren in een situatie dat hij, vanwege de noodzaak om op korte termijn een vervangende onroerende zaak te verwerven, gedwongen is daarvoor een hogere prijs te betalen dan de werkelijke waarde, daardoor een vermogensnadeel lijdt dat voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC4226,NJ 1996/84, en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2283, NJ 2004/507). Daarom mag bij de berekening van de omvang van de schadeloosstelling mede rekening worden gehouden met een premie uit handen breken, indien voldoende aannemelijk is (i) dat de onteigende zijn bedrijfsactiviteiten zal voortzetten op of in een onroerende zaak die hij ter vervanging zal verwerven, en (ii) dat voor de onteigende als gevolg van de onteigening de noodzaak ontstaat om op korte termijn een vervangende onroerende zaak te verwerven.

Uit hetgeen de rechtbank in rov. 2.30 heeft overwogen, blijkt niet dat zij dit uitgangspunt heeft miskend. De rechtsklacht van onderdeel 5 faalt dan ook.

3.4.3

De motiveringsklacht van onderdeel 5 treft evenwel doel.

De Staat heeft in reactie op het concept-advies van deskundigen, waarin was voorzien in een aan [A] toekomende premie uit handen breken, doen opmerken dat de deskundigen niet duidelijk hebben gemaakt welk belang erin kan zijn gelegen dat [A] op korte termijn vervangende grond verwerft. Daarbij heeft de Staat erop gewezen dat de rente van het vrijkomend kapitaal het verlies van het inkomen dat het gevolg is van de onteigening, goedmaakt. Volgens de Staat kon [A] daarom zonder bezwaar wachten tot het moment dat zich een geschikte mogelijkheid tot aankoop van vervangende grond voordoet.

In hun definitieve advies zijn de deskundigen niet op dit betoog van de Staat ingegaan.

De Staat heeft zijn hiervoor genoemde standpunt bij pleidooi voor de rechtbank herhaald.

In rov. 2.30 heeft de rechtbank zich verenigd met het advies van de deskundigen dat – gelet op de gronddruk ter plaatse – een premie uit handen breken noodzakelijk zal zijn voor [A] om op korte termijn vervangende grond te kunnen verwerven. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [A], op grond van hetgeen daartoe door hem is aangevoerd, voldoende belang heeft bij aankoop van vervangende grond op korte termijn.

Aldus heeft de rechtbank het essentiële standpunt van de Staat niet (kenbaar) in haar beoordeling betrokken. De enkele verwijzing naar hetgeen daartoe door [A] is aangevoerd, is in dit verband onvoldoende, nu [A] niet heeft toegelicht waarom voor hem de noodzaak bestond om op korte termijn vervangende grond te verwerven.

3.5

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Roermond van 23 mei 2012;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 899,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 4 oktober 2013.