Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:826

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
12/04362 E
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BV6195, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:849, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vuurwerkbesluit (oud). Het Hof heeft i.h.k.v de beantwoording van de vraag of sprake is van het voorhanden hebben van ‘consumentenvuurwerk’ a.b.i. de op art. 1.2.2 lid 1 onder a Vuurwerkbesluit (oud) toegesneden tll. het onderhavige vuurwerk aangemerkt als bestemd voor particulier gebruik i.d.z.v. art. 1.1.1 lid 1 jo. 1.1.2 lid 1 onder b en d Vuurwerkbesluit (oud). Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat het desbetreffende vuurwerk was bestemd voor de medeverdachte, dat deze het vuurwerk in ontvangst zou nemen en ten dele dadelijk zou doorleveren, dat medeverdachte als exploitant van zijn eenmanszaak moet worden aangemerkt en dat hij niet in het bezit was van een vergunning voor opslag van vuurwerk of van een ontbrandingsvergunning. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De opvatting dat art. 1.1.1 lid 4 Vuurwerkbesluit (oud) eraan in de weg staat aan de vaststellingen van het Hof de conclusie te verbinden dat sprake is van het voorhanden hebben van ‘consumentenvuurwerk’ is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1188
SR-Updates.nl 2013-0372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 oktober 2013

Strafkamer

nr. 12/04362 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 7 februari 2012, nummer 21/001263-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1 ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat het voorhanden vuurwerk moet worden aangemerkt als 'consumentenvuurwerk'.

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 bewezenverklaard dat:

"Feit 1 subsidiair

[medeverdachte] op 6 december 2008, te Halle, gemeente Brockhorst, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten,

A. 10 flowerbeds LDD 205,

B. 8 flowerbeds LDA A1,

C. 4 flowerbeds LDD 123,

D. 3 flowerbeds LDC 215-100,

E. 4 flowerbeds LDC 240-150,

F. 5 flowerbeds 952042,

G. 10 flowerbeds 952043,

H. 8 flowerbeds LDC 179-100,

I. 8 flowerbeds LDC 185-100,

J. 8 flowerbeds LDC 174-100,

K. 2 flowerbeds LDC 281-49,

L. 8 flowerbeds LDA 009,

M. 2 flowerbeds LDC 295-1000,

N. 2 flowerbeds LDC 302-100,

O. 20 flowerbeds LDC 121-25,

P. 20 flowerbeds LDC 119-25,

R. 20 flowerbeds LDC 248-25,

S. 106 flowerbeds LDC 137-25, LDC 249-25, LDC 136-25, LDC 117-25, LDC 115-25 en/of LDC 166-50,

T. 1 flowerbed Spring wind,

U. 14 flowerbeds Spring wind, en/of

V. 1 flowerbeds LDC 245-52, poison spider,

voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, immers

- waren de onder A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M, N, O, P, R, S, T, U en V genoemde flowerbeds voorzien van 2 lonten,

zulks terwijl verdachte aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven."

2.2.2.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Overwegingen met betrekking tot het bewijs" het volgende in:

"Consumentenvuurwerk

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde in hoger beroep aangevoerd dat (hooguit) vastgesteld kan worden dat een deel van het in de vrachtwagen aangetroffen vuurwerk in Duitsland aan [betrokkene 1] ter beschikking gesteld zou worden en het voor verdachte niet duidelijk was wat [betrokkene 1] vervolgens met het vuurwerk zou gaan doen, zodat de bestemming van het vuurwerk in de vrachtwagen niet kan worden vastgesteld. Derhalve dient het vuurwerk te worden aangemerkt als professioneel vuurwerk in de zin van artikel 1.1.2, derde lid, van het Vuurwerkbesluit.

Het hof verwerpt dit verweer. In artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt als consumentenvuurwerk gedefinieerd: 'vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik'. In artikel 1.1.2, eerste lid onder b en d, van het Vuurwerkbesluit staat vermeld dat vuurwerk in ieder geval wordt aangemerkt als vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik wanneer 'het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier' dan wel 'het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen'.

Het uit de vrachtwagen inbeslaggenomen vuurwerk werd vervoerd op zeven pallets. Op grond van het telefoongesprek van 5 december 2008 om 16.43 uur concludeert het hof dat dit vuurwerk was bestemd voor medeverdachte [betrokkene 1]. Uit het telefoongesprek kan het hof ook niet anders afleiden dan dat [betrokkene 1] het vuurwerk in Halle in ontvangst zou nemen en een deel van dit vuurwerk dadelijk zou doorleveren. De verklaring van verdachte, dat het vuurwerk in Emmerich zou worden gelost en vervolgens voor een deel door [betrokkene 1] mee terug genomen zou worden, wordt door het hof gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde telefoongesprek en de gegevens over de route en afstand niet aannemelijk geacht. Daaraan doet niet af dat een aantal andere personen verklaringen van dezelfde strekking heeft afgelegd als verdachte. [betrokkene 1] dient, gelet op het bepaalde in artikel 1.1.1, vierde lid, van het Vuurwerkbesluit als exploitant van zijn eenmanszaak [A] aangemerkt te worden als een particulier in de zin van voornoemd besluit. Volgens dit voorschrift wordt onder het begrip particulier, voor zover hier van belang, immers mede verstaan een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoon die niet in het bezit is van een vergunning voor opslag van vuurwerk of van een ontbrandingsvergunning. [betrokkene 1] was niet in het bezit van een zodanige vergunning. Gelet op het vooroverwogene is het hof van oordeel dat is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 1.1.2, eerste lid, onder b en d, van het Vuurwerkbesluit. Het aangetroffen vuurwerk dient te worden beschouwd als vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. Het hof is derhalve van oordeel dat het bij verdachte aangetroffen vuurwerk dient te worden aangemerkt als consumentenvuurwerk."

2.3.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3.

2.4.1.

Het Hof heeft in het kader van de beantwoording van de vraag of sprake is van het voorhanden hebben van 'consumentenvuurwerk' als bedoeld in de op art. 1.2.2, lid 1 onder a, Vuurwerkbesluit (oud) toegesneden tenlastelegging, het onderhavige vuurwerk aangemerkt als bestemd voor particulier gebruik in de zin van art. 1.1.1, lid 1, in verbinding met art. 1.1.2, lid 1 onder b en d Vuurwerkbesluit (oud). Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat het desbetreffende vuurwerk was bestemd voor de medeverdachte [betrokkene 1], dat deze het vuurwerk in ontvangst zou nemen en ten dele dadelijk zou doorleveren, dat [betrokkene 1] als exploitant van zijn eenmanszaak moet worden aangemerkt en dat hij niet in het bezit was van een vergunning voor opslag van vuurwerk of van een ontbrandingsvergunning.

2.4.2.

Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De opvatting van het middel dat het bepaalde in het vierde lid van art. 1.1.1 eraan in de weg staat aan de vaststellingen van het Hof de conclusie te verbinden dat sprake is van het voorhanden hebben van 'consumentenvuurwerk' in vorenbedoelde zin, is onjuist. Een andere opvatting zou tekort doen aan doel en strekking van het onderhavige Vuurwerkbesluit de gevaren van het omgaan met vuurwerk zoveel mogelijk te beperken en daartoe aan het begrip 'bestemd zijn voor particulier gebruik' een ruime betekenis toe te kennen.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2013.