Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:783

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12/03696
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9317, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 3, lid 3, letter b, art. 7 en art. 11, lid 1, letter b, 5° Wet OB; art. 9 BTW-richtlijn 2006. Duurzaam tegen vergoeding aan een vennootschap ter beschikking stellen van vertrekken in een aan de directeur van die vennootschap en zijn echtgenote toebehorend woonhuis vormt een ‘economische activiteit’; belaste verhuur ook mogelijk voor exclusief zakelijk gebruik van een (onzelfstandig) gedeelte van een woonhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/50.21 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2013/2181
BNB 2013/243 met annotatie van Bijl
Belastingadvies 2013/23.10
FutD 2013-2435 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2013

nr. 12/03696

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Maatschap [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juni 2012, nr. 11/00708, betreffende een beschikking inzake omzetbelasting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 30 september 2008. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 6 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar gegrond verklaard, het verzoek om teruggaaf ontvankelijk verklaard en dat verzoek afgewezen.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/1834) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Belanghebbende is een samenwerkingsverband van [A] (hierna: [A]) en [B] (hierna: [B]).

3.1.2.

Belanghebbende heeft in [Z] grond gekocht ter zake waarvan omzetbelasting in rekening is gebracht. Op deze grond heeft zij een woning (hierna: de woning) laten bouwen. Nadat de woning medio 2008 is opgeleverd, hebben [A] en [B] – ieder voor de onverdeelde helft eigenaar daarvan – samen hun intrek daarin genomen.

3.1.3.

[A] is directeur en grootaandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C]) en verricht op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden ten behoeve van [C].

3.1.4.

Belanghebbende heeft met [C] een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst worden aan [C] twee in het souterrain van de woning gelegen ruimten (hierna: de ruimten) tegen vergoeding ter beschikking gesteld om te worden gebruikt als kantoorruimte respectievelijk archiefruimte.

3.1.5.

De ruimten worden door [A] gebruikt in het kader van de werkzaamheden die hij verricht voor [C]. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de centrale hal van de woning, en van de in de woning aanwezige sanitaire voorzieningen alsmede van de watervoorziening van de woning.

3.1.6.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, aangezien zij de ruimten voor ten minste tien jaar verhuurt, moet worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met artikel 9, lid 1, van BTW-richtlijn 2006, en voorts dat zij met [C] op de voet van artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet heeft gekozen en heeft kunnen kiezen voor belaste verhuur. Zij heeft de Inspecteur bij haar aangifte over het derde kwartaal verzocht om teruggaaf van een gedeelte van de omzetbelasting die ter zake van de oplevering van de woning aan haar in rekening is gebracht.

3.2.1.

Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat het enkele feit dat [A] directeur en grootaandeelhouder van [C] is, niet eraan in de weg staat dat belanghebbende geacht kan worden zelfstandig te handelen bij de terbeschikkingstelling van de ruimten.

3.2.2.

Het Hof heeft vervolgens onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 september 1996, Renate Enkler, C-230/94, V-N 1997, blz. 653, vooropgesteld dat het op de weg ligt van belanghebbende aan te tonen dat zij voldoet aan de criteria om als belastingplichtige te worden aangemerkt en dat daartoe alle exploitatieomstandigheden moeten worden onderzocht.

3.2.3.

Het Hof heeft als exploitatieomstandigheden in aanmerking genomen (i) dat van de centrale hal, de sanitaire voorzieningen en watervoorzieningen gebruik wordt gemaakt zonder dat hiervoor een vergoeding is bedongen, (ii) dat het huurcontract geen bepaling bevat dat de eigenaren van de woning geen privégebruik van de ruimten mogen maken, (iii) dat zich naast de ruimten nog een privéruimte in het souterrain bevindt, en (iv) dat ander personeel van [C] geen toegang heeft tot de ruimten als [A] en [B] niet thuis zijn. In het licht van deze omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur onvoldoende objectieve gegevens heeft aangedragen om haar stelling te kunnen staven dat de verhuur van de ruimten in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als een economische activiteit.

3.3.

De middelen richten zich met een rechtsklacht en met motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.2.3 vermelde oordelen van het Hof.

3.4.1.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het in artikel 9 van BTW-richtlijn 2006 gedefinieerde begrip ‘economische activiteiten’ een ruime werkingssfeer, alsook een objectief karakter, in die zin dat de activiteit op zichzelf moet worden beschouwd, zonder acht te slaan op het oogmerk of het resultaat van de activiteit.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt voorts dat wanneer een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, die omstandigheid in de regel volstaat om te kunnen aannemen dat de eigenaar deze zaak ten behoeve van zijn economische activiteiten exploiteert en dus om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Indien een zaak daarentegen naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht, teneinde uit te maken of zij werkelijk wordt gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie het hiervoor in 3.2.1 vermelde arrest Enkler, punt 27, en recentelijk HvJ 19 juli 2012, Ainārs Rēdlihs, C-263/11, V-N 2012/51.19, punt 34, en 20 juni 2013, Thomas Fuchs, C-219/12, V-N 2013/31.15, punt 20).

3.4.2.

Vast staat dat belanghebbende de ruimten voor ten minste tien jaar aan [C] ter beschikking stelt als kantoor voor haar directeur, tevens vergaderruimte en ontvangstruimte van cliënten van [C], respectievelijk als archiefruimte, en dat belanghebbende in ruil daarvoor van [C] een vergoeding ontvangt. Dit een en ander laat geen andere conclusie toe dan dat deze dienstverlening door belanghebbende gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangemerkt als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006. De ruimten in de woning worden immers tegen overeengekomen vergoeding ononderbroken ter beschikking gesteld aan en ter beschikking gehouden van [C]. Daarbij is niet van belang of – naar het Hof heeft geoordeeld – de voorwaarden en omstandigheden waaronder belanghebbende de ruimten ter beschikking stelt, kunnen worden aangemerkt als verhuur in de zin van BTW-richtlijn 2006 of vergelijkbaar zijn met verhuur van ruimten aan studenten of toeristen. ’s Hofs oordeel getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

3.6.1.

Gelet op het hierna volgende kan de Hoge Raad de zaak afdoen.

3.6.2.

Anders dan in de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1998, nr. 33766, ECLI:NL:HR:1998:AA2267, BNB 1999/76, dient - gelet op het hiervoor in 3.2.1 overwogene – ervan te worden uitgegaan dat belanghebbende met betrekking tot het ter beschikking stellen van de ruimten zelfstandig handelt in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet.

3.6.3.

Voor de Rechtbank heeft de Inspecteur aangevoerd dat het bij de terbeschikkingstelling van de ruimten gaat om verhuur in de zin van de Wet en dat het kiezen voor belaste verhuur niet mogelijk is, aangezien het gaat om de verhuur van een in een woning geïntegreerd (onzelfstandig) gedeelte. De Rechtbank is aan de behandeling van deze stelling niet toegekomen.

Deze stelling van de Inspecteur wordt verworpen. Artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet maakt het mogelijk om - kort gezegd – te kiezen voor belaste verhuur indien de verhuur betreft onroerende zaken, andere dan gebouwen en gedeelten van gebouwen welke als woning worden gebruikt. De laatste bijzin heeft betrekking op zowel gehele gebouwen als op gedeelten daarvan. Dat brengt mee dat voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, gekozen kan worden voor belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals in dit geval, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

verleent een teruggaaf van € 10.975,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 466, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 454,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2013.