Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:70

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
12/03805 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:53, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. HR herhaalt HR LJN AD5208. Het Hof had, bij gebreke aan initiatief van de verdachte ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het instellen van een rechtsmiddel, geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van beroep. Conclusie AG: anders (art. 80a RO).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 449
Wetboek van Strafvordering 450
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/906
NJ 2013/385
JIN 2013/145 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
VA 2014/28
SR-Updates.nl 2013-0295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2013

Strafkamer

nr. 12/03805 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2012, nummer 23/002027-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:

De verdachte woont in Engeland. Ik heb de verdachte in eerste aanleg niet gesproken, maar het contact verliep met de in Nederland wonende oom van de verdachte. Ik heb aan de oom van de verdachte de uitspraak in eerste aanleg doorgegeven met de vraag dit door te geven aan de verdachte en zijn moeder. De oom vertelde mij dat hij de verdachte en zijn moeder had gesproken en dat zij hoger beroep wilden instellen. Voorts vertelde de oom mij dat de verdachte en zijn moeder mij daarover zouden bellen. Ik heb toen alvast hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat de verdachte contact met mij zou opnemen, maar dat is tot op heden niet gebeurd.

Destijds achtte ik mij gemachtigd om hoger beroep in te stellen. Ik heb het wel niet rechtstreeks van de verdachte gehoord, maar wel van zijn oom. Het was dus de wens van de verdachte."

2.2.2.

Het bestreden arrest houdt in:

"Uit het proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg van 26 april 2012 blijkt dat verdachte niet was verschenen en de raadsman van de verdachte, mr. S.V. Ramdihal, aanwezig was, doch niet uitdrukkelijk gemachtigd door de verdachte. De raadsman heeft destijds verklaard dat de verdachte in Groot-Brittannië verblijft en dat hij niet rechtstreeks met de verdachte in contact staat, maar met diens oom. Vervolgens is de verdachte bij verstek door de kinderrechter veroordeeld.

Blijkens de akte rechtsmiddel van 27 april 2012 heeft mr. S.V. Ramdihal, als raadsman van de verdachte, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 april 2012.

Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de raadsman onder meer:

- dat hij de verdachte in eerste aanleg niet zelf heeft gesproken, maar dat het contact verliep met de oom van de verdachte alhier,

- dat hij de oom van de verdachte de uitspraak heeft medegedeeld;

- dat de oom van de verdachte hem heeft verteld dat hij de uitspraak aan de verdachte heeft doorgegeven;

- dat de oom van de verdachte heeft gezegd dat de verdachte hoger beroep wenst in te stellen en dat de verdachte hem zou bellen;

- dat hij vervolgens alvast tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat de verdachte contact met hem zou opnemen;

- dat de verdachte geen contact meer met hem heeft opgenomen.

Artikel 450, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafvordering luidt:

1. Het aanwenden van rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen stelt het hof vast dat de raadsman ten tijde van het instellen van het rechtsmiddel niet bepaaldelijk daartoe door de (17-jarige) verdachte was gemachtigd in de zin van artikel 450, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering.

Nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, kan het verzuim niet worden hersteld. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het - niet op rechtsgeldige wijze - namens hem ingestelde hoger beroep."

2.3.1.

Blijkens art. 450, eerste lid, Sv kan het aanwenden van de daar bedoelde rechtsmiddelen geschieden door een advocaat indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.

2.3.2.

Met deze regeling verdraagt zich niet dat de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat die verklaring naar waarheid heeft afgelegd.

2.3.3.

Aan de verdachte kan echter niet het recht worden ontzegd om het initiatief te nemen ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door hem, verdachte, bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van een rechtsmiddel. Bij gebreke van een regeling in het Wetboek van Strafvordering tot ontkentenis van door een advocaat gedane gerechtelijke verrichtingen, dient dat initiatief te worden genomen vóór of bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hogere instantie waar de zaak zal worden behandeld, waarna de rechter zal dienen te beslissen omtrent het aldus gerezen geschil over de ontvankelijkheid van de voorziening (vgl. HR 4 december 2001, LJN AD5208).

2.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven blijkt niet van een zodanig initiatief. Het Hof had dus geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Kinderrechter.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.