Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:687

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
12/01464
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:588, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:265, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Ambtshalve toevoeging raadsman, art. 41.1 aanhef en onder b Sv. 2. Bijstand raadsman, art. 28.1 Sv. Ad 1. De klacht dat ten onrechte niet op de voet van art. 41.1 aanhef en onder b Sv door de voorzitter van het Hof ambtshalve de last is gegeven tot toevoeging van een raadsman kan niet slagen, nu in de onderhavige zaak niet de voorlopige hechtenis van verdachte is bevolen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2012/29. Het oordeel van het Hof dat in de uit het p-v van de tz. blijkende f&o omtrent de persoon en persoonlijkheid van verdachte geen aanleiding wordt gevonden voor nader onderzoek of verdachte, met het oog op waarborging van haar recht op een eerlijk proces, bijstand van een raadsman behoefde, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 28
Wetboek van Strafvordering 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2071
RvdW 2013/1086
NJ 2013/579 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2013/310
SR-Updates.nl 2013-0352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 september 2013

Strafkamer

nr. 12/01464

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 januari 2012, nummer 20/002419-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet ambtshalve een raadsman heeft toegevoegd aan de verdachte dan wel zich ervan heeft vergewist of de verdachte bijstand van een raadsman behoefde.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

"1. zij op 23 juli 2009 te Tilburg ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met meerdere messen stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. zij op 23 juli 2009 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk dreigend met een mes een stekende beweging gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2] en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "laat me los, anders steek ik je"."

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte voor die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte ter terechtzitting niet bijgestaan door een raadsman. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte verklaart daarop:

Ik ben het niet eens met de veroordeling. Ik heb geen juridisch adviseur geraadpleegd. Ik heb een briefje gekregen in Turnhout. Dat briefje is twee maanden bij de politie in Turnhout blijven liggen. Na twee maanden heb ik het opgehaald. Ik heb daarop gebeld naar de rechtbank in Breda. Ik kan een gevangenisstraf niet uitzitten omdat ik voor mijn kleinzoon moet zorgen.

Op de vraag van de voorzitter of de verdachte zich realiseert dat in hoger beroep een strengere straf kan worden opgelegd, reageert de verdachte mompelend met 'oh'.

De voorzitter deelt de verdachte mede:

U bent bij verstek veroordeeld. Op 6 juni 2011 bent u in beroep is gekomen. Als de zaak in hoger beroep opnieuw wordt beoordeeld, wordt ook de eventueel op te leggen straf opnieuw beoordeeld. Dat u geen deskundige heeft geraadpleegd is uw eigen risico.

Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt:

Ik ging op 23 juli 2009 naar familie in verband met een familieruzie. Ik was boos. Voorafgaand heb ik mij voorzien van een mes omdat ik, terwijl ik met mijn nichtje aan het praten was, een appel at. Ik heb toen het mes omhoog gedaan en dat is gevallen.

Ik heb niet met het mes gestoken en ik heb ook niet gedreigd. Op de vraag van de voorzitter wat dan de bedoeling van het mes was, antwoord ik dat mijn andere nichtje een boze geest had. Ik wilde een nichtje vasthouden en weer terug gaan omdat ze boos was.

(...)

De voorzitter deelt betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mede dat zij een eerdere veroordeling wegens bolletjes slikken op haar documentatie heeft. Toen is een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf opgelegd. Destijds had zij geen werk of vaste woonplaats. Verdachte heeft negen kinderen.

De verdachte verklaart dat er een kind van 8 jaar en een kind van 20 jaar nog bij haar wonen, dat zij werkt en dat haar zoon van 8 jaar oud op school zit.

(...)

Op de vraag van de jongste raadsheer wat ik nu zou doen als mijn nichtjes nog eens boze geesten krijgen, verklaar ik dat ik denk dat ze hun probleem hebben opgelost want hun moeder is nu ook in Nederland.

(...)

De verdachte voert het woord tot verdediging aldus:

Ik doe liever een taakstraf dan dat ik de gevangenis in ga."

2.3.

Voor zover het middel klaagt dat ten onrechte niet op de voet van art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv door de voorzitter van het Hof ambtshalve de last is gegeven tot toevoeging van een raadsman, kan het niet slagen, omdat in de onderhavige zaak niet de voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen.

2.4.1.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden op grond van het volgende.

2.4.2.

Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen of zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat betekent niet dat de zorg voor de verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Indien een verdachte ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand, zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan (vgl. HR 20 november 2011, LJN BV0907, NJ 2012/29).

2.4.3.

Het Hof heeft in de uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkende feiten en omstandigheden omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de verdachte, klaarblijkelijk geen aanleiding gevonden voor nader onderzoek of de verdachte - met het oog op waarborging van haar recht op een eerlijk proces - bijstand van een raadsman behoefde. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweven als het is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, kan dat oordeel niet verder op juistheid worden onderzocht. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 september 2013.