Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:586

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
12/02470 B
Formele relaties
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2012:BW4738, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:591, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. Conservatoir beslag. Italiaans rechtshulpverzoek. Art. 13a WOTS. 1. Witwasverdrag. Rechtstreekse toezending rechtshulpverzoek. 2. Onschuldpresumptie. Ad 1. V.zv. aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat een rechtshulpverzoek niet kan worden aangemerkt als een rechtshulpverzoek in de zin van het Witwasverdrag op de enkele grond dat het verzoek niet in overeenstemming met de regels van het Verdrag is toegezonden aan de autoriteiten bedoeld in art. 23.1 van dat Verdrag, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Nu het middel niet klaagt over de vaststelling door de Rechtbank dat klager niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad door de rechtstreekse toezending van het rechtshulpverzoek aan het Landelijk Parket, kan het reeds daarom niet tot cassatie leiden. Ad 2. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI2281 m.b.t. art. 13a WOTS en uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. het summiere karakter van de raadkamerprocedure ex art. 552a Sv (i.c. van overeenkomstige toepassing). Gelet op deze vooropstellingen getuigt het oordeel van de Rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat het bevel tot inbeslagneming waarvan de tul is verzocht tot uitgangspunt neemt dat het in NL aangetroffen geldbedrag als resultaat van illegale activiteiten van klager moet worden inbeslaggenomen en dat daarbij geen directe relatie is aangenomen met de concrete strafbare feiten waarvan klager is vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen 13a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2028
RvdW 2013/1042
NBSTRAF 2013/306 met annotatie van drs. mr. T. van Noord
SR-Updates.nl 2013-0337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 september 2013

Strafkamer

nr. 12/02470 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 3 mei 2012, nummer RK 10/214, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben mr. Th.O.M. Dieben en mr. G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 De bestreden beschikking

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van het op 22 februari 2010 ingediende en onder raadkamernummer 10/214 geregistreerde klaagschrift (hierna ook: het eerste klaagschrift), het op 6 september 2011 ingediende en onder raadkamernummer 11/1474 geregistreerde klaagschrift (hierna ook: het tweede klaagschrift), en van de overige stukken uit de bijbehorende raadkamerdossiers.

(...)

FEITEN

Op 26 mei 2004 is de klager in Amsterdam aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 2 jo. artikel 10 van de Opiumwet. Bij de klager is daarbij een geldbedrag van € 402.340,- aangetroffen en in beslag genomen.

Bij vonnis van 25 november 2004 heeft de rechtbank Amsterdam de klager vrijgesproken van het witwassen van het bij hem aangetroffen geldbedrag en is de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag gelast. De officier van justitie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld, doch heeft dat beroep op 2 november 2009 ingetrokken, waarna het gerechtshof te Amsterdam het openbaar ministerie bij arrest van 30 november 2009 niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Op 15 december 2009 is dat arrest onherroepelijk geworden.

Op (de Hoge Raad leest:) 27 oktober 2008 is de klager door de rechtbank van de Reggio Calabria tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en voor internationale handel in en het bezit van cocaïne. Bij hetzelfde vonnis is de klager vrijgesproken terzake van het witwassen van het in Nederland aangetroffen geldbedrag. Het gerechtshof van de Reggio Calabria heeft het vonnis op 21 juli 2010 bekrachtigd.

Bij beslissing van 13 juli 2009 heeft de rechtbank van de Reggio Calabria een bevel tot (conservatoire) inbeslagname van het zich in Nederland bevindende bedrag gegeven, zulks op de voet van de Italiaanse Wet 575/1965. De substituut-officier van justitie bij die rechtbank heeft de Nederlandse autoriteiten bij rechtshulpverzoek van 16 juli 2009 verzocht de beslissing van 13 juli 2009 ten uitvoer te leggen. Ter uitvoering van dat verzoek heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket op 30 september 2009

- na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris - conservatoir beslag gelegd op het geldbedrag. Tegen deze beslaglegging richt zich het eerste klaagschrift.

Bij beslissing van 25 februari 2010 heeft de rechtbank van de Reggio Calabria op de voet van de Wet 575/1965 de confiscatie bevolen van het op (de Hoge Raad leest:) 30 september 2009 in beslag genomen geldbedrag.

Bij beslissing van 19 oktober 2010 heeft het gerechtshof van de Reggio Calabria een bevel tot (conservatoire) inbeslagname van het zich in Nederland bevindende bedrag gegeven, zulks met het oog op een mogelijk uit te spreken verbeurdverklaring op de voet van artikel 12sexies van de Italiaanse Wet 356/1992. De advocaat-generaal bij dat gerechtshof heeft de Nederlandse autoriteiten bij rechtshulpverzoek van 27 oktober 2010 verzocht de beslissing van 19 oktober 2010 ten uitvoer te leggen. Ter uitvoering van dat verzoek heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket op 16 februari 2011 - na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris - conservatoir beslag gelegd op het geldbedrag. Tegen deze beslaglegging richt zich het tweede klaagschrift. (...)

INHOUD KLAAGSCHRIFTEN EN STANDPUNT OFFICIER VAN JUSTITIE

De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslagen moeten worden opgeheven nu deze onrechtmatig zijn gelegd. Hij heeft om teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan hem verzocht.

De officier van justitie heeft gesteld dat de beslagen op goede gronden en op de juiste wijze zijn gelegd en heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het beklag in beide procedures.

INHOUDELIJKE BEOORDELING

Juridisch kader

Aan beide conservatoir gelegde beslagen is door de officier van justitie artikel 13a van de WOTS ten grondslag gelegd.

Gelet op het bepaalde in artikel 13a van de WOTS dient de rechter, indien – zoals hier - op de voet van het in artikel 13d, tweede lid, van de WOTS van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 552a Sv beklag is gedaan tegen (het voortduren van) de inbeslagneming, te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 13a van de WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 24 november 2009 (LJN: BI2281) heeft overwogen, komt de wettelijke regeling er op neer dat de rechter daarbij moet beoordelen

a) of een verdrag in de inbeslagneming voorziet, en voorts

b) of de inbeslaggenomen voorwerpen kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, dan wel naar het recht van de verzoekende Staat kunnen worden verbeurd verklaard of kunnen dienen tot verhaal van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en verder

c) of er gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen vanwege de verzoekende Staat ook een verzoek tot tenuitvoerlegging zal worden gedaan van ofwel een verbeurdverklaring, ofwel een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie, en tevens

d) of blijkens de door de verzoekende Staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die Staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en ten slotte

e) of inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan. Daarbij moet inbeslagneming naar Nederlands recht geacht worden te zijn toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de verzoekende Staat wordt verzocht, in Nederland zou zijn begaan. Opmerking verdient daarbij dat wanneer het verzoek bijvoorbeeld strekt tot inbeslagneming van voorwerpen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een nog op te leggen ontnemingssanctie, het dient te gaan om een verdenking wegens feiten die naar Nederlands recht een misdrijf zouden opleveren ter zake waarvan een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Rechtmatigheid conservatoir beslag van 29 september 2009 - eerste klaagschrift

De verdragsbasis van het rechtshulpverzoek

In het door het door de substituut-officier van justitie bij de rechtbank van de Reggio Calabria gedane rechtshulpverzoek d.d. 16 juli 2009, strekkende tot tenuitvoerlegging van de beslissing d.d. 13 juli 2009 van die rechtbank, inhoudende het bevel tot (conservatoire) inbeslagname van het zich in Nederland bevindende bedrag, wordt verwezen naar het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959 (Trb. 1965/10, hierna: het Europees Rechtshulpverdrag) en naar de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen van 19 juni 1990 (Trb. 1990/145).

Bij brief van 2 september 2009 heeft de officier van justitie bij even genoemde rechtbank ook het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, gesloten te Straatsburg op 8 november 1990 (Trb. 1990/172; hierna: het Witwasverdrag), aan het verzoek tot rechtshulp ten grondslag gelegd.

Europees Rechtshulpverdrag en de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen als verdragsbasis?

Zoals de raadsman terecht heeft gesteld en door de officier van justitie is onderschreven, biedt het Europees Rechtshulpverdrag enkel grond voor de inbeslagname van zogenaamde stukken van overtuiging: voorwerpen die naar het oordeel van de rechtelijke autoriteiten van het verzoekende land kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Daar gaat het hier niet om.

Hoofdstuk 2 van Titel III van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen strekt ter aanvulling en vergemakkelijking van de toepassing van (onder andere) het Europees Rechtshulpverdrag, maar biedt in dezen geen materiële uitbreiding van het toepassingsbereik.

Dit betekent dat deze verdragen geen grondslag kunnen vormen voor de bij brief van 16 juli 2009 verzochte rechtshulp.

Witwasverdrag als verdragsbasis?

In artikel 1 van het Witwasverdrag wordt het begrip 'confiscatie' omschreven als een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van het Witwasverdrag neemt een verdragspartij op verzoek van een andere partij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming, ter voorkoming van de verhandeling, overdracht of vervreemding van voorwerpen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, of die van dien aard zijn, dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan dat verzoek.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van het Witwasverdrag moet een verdragspartij die van een andere partij een verzoek om confiscatie heeft ontvangen betreffende hulpmiddelen of opbrengsten die zich op haar grondgebied bevinden, de door een rechter van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie ten uitvoer leggen met betrekking tot die hulpmiddelen of opbrengsten.

De raadsman heeft benadrukt dat de misure di prevenzione van de Italiaanse Wet 575/1965 geen veroordeling voor strafbare feiten inhouden en ook geen voorafgaande veroordeling vergen. Er is sprake van een zuiver bestuursrechtelijke confiscatie. Om die reden kan het Witwasverdrag niet als grondslag dienen voor de tenuitvoerlegging van op die wet gebaseerde maatregelen in Nederland, noch voor de in dat verband gevraagde voorlopige maatregelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In paragraaf 21 van het bij het Witwasverdrag behorende Explanatory report is neergelegd:

"The definition of 'confiscation' was drafted in order to make it clear that, on the one hand, the Convention only deals with criminal activities or acts connected therewith, such as acts related to civil in rem actions and, on the other hand, that differences in the organisation of the judicial systems and the rules of procedure do not exclude the application of the Convention. For instance, the fact that confiscation in some States is not considered as a penal sanction but as a security or other measure is irrelevant to the extent that the confiscation is related to criminal activity. It is also irrelevant that confiscation might sometimes be ordered by a judge who is, strictly speaking, not a criminal judge, as long as the decision was taken by a judge. The term "court" has the same meaning as in Article 6 of the European Convention on Human Rights. The experts agreed that purely administrative confiscation was not included in the scope of application of the Convention."

In paragraaf 43 van het bij het Witwasverdrag behorende Explanatory report is neergelegd:

"It also follows from the article (artikel 13, rechtbank) that the request concerns a confiscation which by its very nature is criminal and thus excludes a request which is not connected with an offence, for example administrative confiscation. However, the decision of a court to confiscate need not be taken by a court of criminal jurisdiction following criminal proceedings.

Any type of proceedings, independently of their relationship with criminal proceedings and of applicable procedural rules, might qualify in so far as they may result in a confiscation order, provided that they are carried out by judicial authorities and that they are criminal in nature, that is, that they concern instrumentalities or proceeds."

De Italiaanse Wet 575/1965 is gericht op het voorkomen van toekomstige criminaliteit door degenen die een gevaar vormen voor de Italiaanse gemeenschap. Zij voorziet onder meer in de verbeurdverklaring (confisca di prevenzione) van bezittingen van (onder andere) personen die (vermoedelijk) zijn verbonden aan maffiose organisaties of organisaties die zich bezighouden met handel in verdovende middelen, dan wel van personen waarvan door hun gedrag en levensstijl dient te worden aangenomen dat zij gewoonlijk al dan niet gedeeltelijk leven van de opbrengsten van criminele activiteiten, alsmede in de (conservatoire) inbeslagname van die bezittingen met het oog daarop. De procedure vereist niet dat de betrokkene wordt vervolgd of veroordeeld door de strafrechter. Voor de inbeslagname is wel vereist a) dat de bezittingen rechtstreeks of indirect ter beschikking staan aan de betrokken persoon en b) dat een niet te verklaren onevenredigheid bestaat tussen zijn rijkdom en zijn inkomen of niveau van economische activiteiten of dat er voldoende bewijs voorhanden is dat de bezittingen de opbrengst zijn van misdrijven.

De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat de confisca di prevenzione en de inbeslagname die daaraan vooraf kan gaan het karakter hebben van veiligheidsmaatregelen en dat deze de Italiaanse openbare orde beogen te beschermen. Hoewel maatregelen, bezien vanuit Nederlandse optiek, mogelijk als bestuursrechtelijk zouden kunnen worden gezien en ook geen connexiteit met strafvervolging of een strafzaak is vereist, houden zij wel degelijk verband met (veronderstelde) criminele activiteiten, ook al omdat het subject van deze maatregelen de (veronderstelde) opbrengst van misdrijven is. Tegen de achtergrond van voormelde passages uit het Explanatory report moet dan ook worden geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de confisca di prevenzione in Nederland op artikel 13 van het Witwasverdrag kan worden gestoeld. Dit brengt voor het onderhavige geval ook mee dat het in het rechtshulpverzoek van 16 juli 2009 gedane verzoek tot tenuitvoerlegging van een aan die confisca di prevenzione voorafgaande (conservatoire) inbeslagname eveneens kon worden gestoeld op dat verdrag, en wel op artikel 11.

Het verweer wordt verworpen

Rechtstreekse toezending

De raadsman heeft betoogd dat het eerste rechtshulpverzoek ten onrechte rechtstreeks is verstuurd van de plaatselijke Italiaanse autoriteiten naar het Landelijk Parket. Artikel 23, eerste lid, van het Witwasverdrag schrijft namelijk de tussenkomst van de centrale autoriteiten van beide landen voor, aldus de raadsman.

Dit verweer kan de klager niet baten. Op grond van het tweede lid van even genoemd artikel kan een rechtshulpverzoek in spoedgevallen rechtstreeks worden toegezonden door de rechterlijke autoriteiten, met inbegrip van het openbaar ministerie, van de verzoekende verdragspartij aan die autoriteiten van de aangezochte partij. De rechtbank is van oordeel dat bij de uitvoering van een verzoek voor het leggen van conservatoir beslag, gelet op de aard van die maatregel, in beginsel spoed zal zijn geboden, zulks teneinde te voorkomen dat de vermogensbestanddelen die het beoogt veilig te stellen, uit zicht raken. Dit laatste risico was in het onderhavige geval niet illusoir nu de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 november 2004 de teruggave van het litigieuze geldbedrag aan de klager had gelast en ten tijde van het doen uitgaan van het rechtshulpverzoek ongewis was hoe het gerechtshof te Amsterdam zou oordelen op het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep. Dat, zoals de raadsman heeft benadrukt, de officier van justitie eerst op 30 september 2009 uitvoering heeft gegeven aan het op 16 juli 2009 gedane verzoek, doet daaraan niet af.

Dit alles brengt mee dat het de Italiaanse autoriteiten vrij stond om het verzoek rechtstreeks naar het Landelijk Parket te sturen. Overigens is gesteld noch gebleken dat de klager door de handelwijze van de Italiaanse autoriteiten in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

Gelet hierop is er geen aanleiding de behandeling van de klaagschriften aan te houden teneinde de Italiaanse autoriteiten de gebreken bij het indienen van de rechtshulpverzoeken te laten herstellen, zodat de daartoe strekkende (subsidiaire) vordering van de officier van justitie wordt afgewezen.

(...)

Schending van artikel 6, eerste en tweede lid, EVRM en de artikelen 47 en 48 van het EU Handvest van de grondrechten

De raadsman heeft betoogd dat het ten uitvoer leggen van de Italiaanse rechtshulpverzoeken een flagrante schending oplevert van de onschuldpresumptie, neergelegd in artikel 6 van het Europees voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de artikelen 47 en 48 van het EU-Handvest van de grondrechten. De beslagen zien immers op dezelfde feiten als die waarvoor de klager zowel in Nederland als in Italië onherroepelijk is vrijgesproken, namelijk het witwassen van het onder hem in beslag genomen geldbedrag. De door de rechtbank en het gerechtshof van Reggio Calabria in Italië genomen beslissingen komen de facto neer op het alsnog vaststellen van de schuld van de klager aan het misdrijf witwassen. De motivering van die beslissingen is volgens de raadsman weliswaar verschillend, maar houdt in de kern in dat de klager in Nederland een groot geldbedrag bij zich had dat niet door zijn legale inkomsten kan worden verklaard en dus wel van misdrijf afkomstig moet zijn. Daarbij lijkt echter te worden vergeten dat de klager juist met betrekking tot die beschuldiging is vrijgesproken. Nu er in Italië een uitspraak is gedaan die een flagrante schending oplevert van artikel 6 van het EVRM, heeft Nederland een zelfstandige verplichting af te zien van het verlenen van rechtshulp, aldus de raadsman.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Zoals eerder al is overwogen, is de klager bij vonnis van 27 oktober 2008 van de rechtbank van Reggio Calabria veroordeeld voor de deelname aan een criminele organisatie met als doel drugshandel. Ook is hij veroordeeld voor de internationale handel in en het bezit van cocaïne.

In het bevel tot inbeslagname van de rechtbank van de Reggio Calabria d.d. (de Hoge Raad leest:) 13 juli 2009, het aan de Nederlandse autoriteiten gerichte verzoek van diezelfde rechtbank d.d. 24 februari 2010 om dat bevel ten uitvoer te leggen en de confiscatiebeslissing van die rechtbank d.d. 25 februari 2010 is met een verwijzing naar het vonnis van 27 oktober 2008 en de feiten waarvoor hij bij dat vonnis is veroordeeld, - zakelijk weergegeven - geconcludeerd dat het in Nederland aangetroffen bedrag in beslag moet worden genomen als resultaat van de illegale activiteiten van de klager, daar er geen evenredige verhouding is met zijn legale inkomen en/of vermogen. In zoverre kan niet worden gesteld dat de Italiaanse rechter een directe relatie heeft aangenomen tussen het bij de ontneming in aanmerking genomen vermogen en het concrete strafbare feit waarvan de klager is vrijgesproken, te weten het witwassen van het bij hem aangetroffen geldbedrag in de periode 25 mei 2004 tot en met 26 mei 2004. Deze overwegingen van de Italiaanse rechter leveren dan ook geen schending van de in artikel 6 van het EVRM besloten liggende onschuldpresumptie op.

Wel is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat daar waar in de diverse Italiaanse beslissingen en rechtshulpverzoeken betekenis is toegekend aan de - in de optiek van de Italiaanse autoriteiten nog altijd verdachte - omstandigheden waaronder de in beslag genomen geldsom in Nederland is aangetroffen, die overwegingen aanschuren tegen de grenzen van artikel 6 van het EVRM. Nu voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een schending in de zin van dit artikel de procedure evenwel in haar geheel moet worden bezien, kan hieraan, gelet op het overwogene in de vorige alinea, worden voorbij gegaan.

Gelet op het vorenstaande kan de raadsman evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van schending van de artikelen 47 en 48 van het EU handvest.

(...)

Slotsom

Uit het voorgaande blijkt dat het antwoord op de in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2009 onder a) tot en met c) vermelde vragen bevestigend moet luiden.

Ook de in dat arrest onder d) vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord, zulks gelet op hetgeen de officier van justitie bij de rechtbank van de Reggio Calabria in zijn brief aan zijn Nederlandse ambtsgenoot d.d. 5 november 2010 onder B heeft vermeld.

Tot slot dient ook de in het arrest onder e) vermelde vraag bevestigend te worden beantwoord. Ondanks de vrijspraak van het witwassen van het inbeslaggenomen geldbedrag, zou in Nederland op de voet van artikel 36e, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden ontnomen, wanneer gebruik zou worden gemaakt van een berekeningswijze zoals de vermogensvergelijking (vgl. HR 4 oktober 2011, LJN: BQ8627).

Waar aan alle voorwaarden die door artikel 13a van de WOTS aan de inbeslagname worden gesteld is voldaan en geen van de gevoerde verweren tot het beoogde doel kan leiden, dient het beklag tegen het op 30 september 2009 gelegde conservatoir beslag ongegrond te worden verklaard.

(...)"

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het de Italiaanse autoriteiten vrijstond het rechtshulpverzoek rechtstreeks aan het Landelijk Parket – en niet aan de centrale autoriteit – te sturen.

3.2.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het in deze zaak gaat om een rechtshulpverzoek als bedoeld in art. 13a Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) dat door de verzoekende Staat is gebaseerd op art. 11 van het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Straatsburg, 8 november 1990, Trb. 172; hierna: het Witwasverdrag). Dit verdrag luidt, voor zover hier relevant, in de Nederlandse vertaling:

"Artikel 23. Centrale autoriteit

1. De Partijen wijzen een centrale autoriteit of, indien noodzakelijk, meerdere autoriteiten aan, belast met de verzending en de beantwoording van verzoeken ingevolge dit hoofdstuk, de uitvoering daarvan, dan wel de doorzending daarvan aan de autoriteiten die bevoegd zijn deze uit te voeren.

(...)

Artikel 24. Rechtstreeks contact

1. De centrale autoriteiten onderhouden rechtstreeks met elkaar contacten.

2. In spoedgevallen kunnen verzoeken of mededelingen ingevolge dit hoofdstuk rechtstreeks worden toegezonden door de rechterlijke autoriteiten, met inbegrip van het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij aan die autoriteiten van de aangezochte Partij. In dergelijke gevallen dient tegelijkertijd een afschrift te worden toegezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij via de centrale autoriteit van de verzoekende Partij.

(...)"

3.3.

Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat een rechtshulpverzoek niet kan worden aangemerkt als een rechtshulpverzoek in de zin van het Witwasverdrag op de enkele grond dat het verzoek niet in overeenstemming met de regels van het Verdrag is toegezonden aan de autoriteiten bedoeld in art. 23 lid 1 van dat Verdrag, faalt het omdat die opvatting geen steun in het recht vindt.

3.4.

Nu het middel niet klaagt over de vaststelling door de Rechtbank dat de klager niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad doordat de Italiaanse autoriteiten het rechtshulpverzoek rechtstreeks aan het Landelijk Parket – en niet aan de centrale autoriteit – hebben gestuurd, kan het reeds daarom niet tot cassatie leiden.

4 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het derde middel

5.1.

Het middel klaagt over de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat het beklag gegrond moet worden verklaard omdat er sprake is van een flagrante schending van de onschuldpresumptie zoals bedoeld in onder meer art. 6, tweede lid, EVRM.

5.2.1.

Gelet op art. 13a WOTS dient de rechter, indien op de voet van het in art. 13d, tweede lid, WOTS van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 552a Sv beklag is gedaan tegen (het voortduren van) de inbeslagneming, te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden die in art. 13a WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld.

De wettelijke regeling komt erop neer dat de rechter moet beoordelen

a) of een verdrag in de inbeslagneming voorziet, en voorts

b) of de inbeslaggenomen voorwerpen kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, dan wel naar het recht van de verzoekende Staat kunnen worden verbeurdverklaard of kunnen dienen tot verhaal van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en verder

c) of er gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen vanwege de verzoekende Staat ook een verzoek tot tenuitvoerlegging zal worden gedaan van ofwel een verbeurdverklaring, ofwel een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie, en tevens

d) of blijkens de door de verzoekende Staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die Staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en ten slotte

e) of inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan. Daarbij moet inbeslagneming naar Nederlands recht geacht worden te zijn toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de verzoekende Staat wordt verzocht, in Nederland zou zijn begaan. Opmerking verdient daarbij dat wanneer het verzoek bijvoorbeeld strekt tot inbeslagneming van voorwerpen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een nog op te leggen ontnemingssanctie, het dient te gaan om een verdenking wegens feiten die naar Nederlands recht een misdrijf zouden opleveren ter zake waarvan een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BI2281, NJ 2009/606.)

5.2.2.

Voorts moet worden vooropgesteld dat ook in de onderhavige procedure van overeenkomstige toepassing is dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van bijvoorbeeld een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

5.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld getuigt het oordeel van de Rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat het bevel tot inbeslagneming waarvan de tenuitvoerlegging is verzocht tot uitgangspunt neemt dat het in Nederland aangetroffen geldbedrag als resultaat van illegale activiteiten van de klager moet worden inbeslaggenomen en dat daarbij geen directe relatie is aangenomen met de concrete strafbare feiten waarvan de klager is vrijgesproken.

5.4.

Het middel faalt.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2013.