Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:57

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
12/03922
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 26b, art. 28, letter f, en art. 29, lid 4, Wet LB 1964. Gelet op de omstandigheden hoeft inhoudingsplichtige gegevens van identiteitsbewijs en loonbelastingverklaring niet met elkaar te vergelijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1660
V-N 2013/35.23 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2013/17.9
BNB 2013/198
FutD 2013-1783
NTFR 2014/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2013

nr. 12/03922

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2012, nr. 10/00313, betreffende een aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1 Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur, gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2153) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag en de boete verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1.1.

Belanghebbende verleent diensten in de pluimveesector.

3.1.2.

De Inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting van belanghebbende over het onderhavige tijdvak.

3.1.3.

Op grond van het boekenonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 februari 2005, heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak 34 werknemers in dienst had van wie zij de identiteit niet op een correcte wijze heeft vastgesteld. In verband hiermee heeft hij aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, alsmede een vergrijpboete van 50 percent van de nageheven belasting. De Inspecteur heeft daarbij de belastingschuld berekend met toepassing van het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).

3.2.

Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende heeft voldaan aan de verplichting om de identiteit van haar werknemers vast te stellen op de in artikel 28 Wet LB 1964 voorgeschreven wijze.

3.3.

Het Hof heeft – voor zover in cassatie van belang – geoordeeld dat belanghebbende gelet op haar in onderdeel 4.5 van ’s Hofs uitspraak weergegeven, geloofwaardig geachte verklaringen bij het aannemen van werknemers in het algemeen voldoende zorgvuldig te werk is gegaan en op juiste wijze invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid zoals die in onderdeel 4.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr. 42171, LJN AX9096, BNB 2007/247 (hierna: het arrest BNB 2007/247), is omschreven. Het Hof heeft de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende de handtekening op het identiteitsbewijs had moeten vergelijken met de handtekening op de loonbelastingverklaring verworpen. Daartoe heeft het overwogen dat belanghebbende bij de identificatie van potentiële werknemers voldoende zorgvuldig was, en dat belanghebbende een werkwijze hanteerde waarvan mag worden aangenomen dat zij in de regel geschikt was om vast te stellen of de door de werknemer verstrekte identiteitsgegevens juist waren. Op grond daarvan heeft het Hof aangenomen dat zich geen omstandigheden voordeden die belanghebbende noopten naderhand alsnog de handtekening op de loonbelastingverklaring met die op het identiteitsbewijs te vergelijken.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende bij de identificatie van de werknemers [F] en [G] niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, doch dat de naheffingsaanslag geen loonbestanddelen ten name van deze werknemers bevat, zodat de naheffingsaanslag geheel kan worden vernietigd.

Tegen deze oordelen richt zich het middel van de Staatssecretaris.

4 Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1.1.

Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende bij het aannemen van werknemers in zijn algemeenheid voldoende zorgvuldig te werk is gegaan en op juiste wijze invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid de juistheid te onderzoeken van de door de werknemers verstrekte gegevens betreffende naam, adres, woonplaats en identiteit.

4.1.2.

Het Hof heeft aan verklaringen van belanghebbende, waarvan de geloofwaardigheid in cassatie niet wordt bestreden, de conclusie verbonden dat zich geen omstandigheden voordeden die redelijkerwijs aanleiding gaven om naderhand de handtekening op de loonbelastingverklaring te vergelijken met de handtekening op het identiteitsbewijs. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de verantwoordelijkheid die op een werkgever rust, zoals omschreven in onderdeel 4.4.3 van het arrest BNB 2007/247. Het is overigens verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Het Hof heeft daaraan de conclusie mogen verbinden dat belanghebbende in voldoende mate aan haar onderzoeksplicht met betrekking tot de identiteit van de werknemers had voldaan, behoudens in de gevallen van [F] en [G], vermeld in de onderdelen 4.10 en 4.11 van ’s Hofs uitspraak. Het middel faalt derhalve in zoverre.

4.2.

Het middel slaagt voor zover het zich richt tegen ’s Hofs oordeel met betrekking tot loonbestanddelen van [F] en [G]. De rekenkundige toelichting bij de naheffingsaanslag, die is opgenomen in het procesdossier, laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat in de naheffingsaanslag wel loonbestanddelen van [F] en [G] zijn begrepen.

5 Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet is stand blijven. Verwijzing moet volgen.

7 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskosten en de schadevergoeding, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2013.