Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:45

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
12/02548
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:710, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7195, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Volkenrecht. Immuniteit van executie. Executoriaal beslag op pand van diplomatieke dienst. Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, art. 22. Internationaal gewoonterecht. Pand dat publieke bestemming heeft verloren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/853
NJB 2013/1687
JWB 2013/350
NJ 2014/453 met annotatie van Th.M. de Boer
JBPR 2014/1 met annotatie van mr. J.W. Westenberg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2013

Eerste Kamer

nr. 12/02548

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats], Libanon,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te ’s-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. S.M. Kingma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

  1. het vonnis in de zaak 393722/KG ZA 11-517 van de voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 5 juli 2011;

  2. het arrest in de zaak 200.092.174/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 maart 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. A. Knigge, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.

Mr. Knigge voornoemd heeft bij brief van 19 april 2013 namens [eiser] op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] heeft op 3 februari 2000 bij een rechtbank in de Democratische Republiek Congo (voorheen Zaïre; hierna: DRC) een vonnis verkregen tegen (onder meer) de DRC tot betaling van een geldbedrag. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

(ii) De DRC is rechthebbende tot een recht van erfpacht op de onroerende zaak [a-straat 1] te Den Haag (verder: het pand). In het pand was tot medio 2009 de diplomatieke vertegenwoordiging van de DRC in Nederland gevestigd. In 2009 is deze diplomatieke vertegenwoordiging samengevoegd met die in België en Luxemburg en gehuisvest in Brussel. Het pand is nadien gekraakt.

(iii) Met verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiser] op 20 augustus en 24 september 2009 ten laste van de DRC conservatoire beslagen gelegd met betrekking tot het pand.

(iv) Op vordering van [eiser] heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bij vonnis van 3 november 2010 (verbeterd bij vonnis van 15 december 2010) de DRC veroordeeld tot betaling aan [eiser] van $ 23.348.734,56. Met de betekening van deze vonnissen zijn de door [eiser] gelegde conservatoire beslagen overgegaan in executoriale beslagen.

3.2.1

De minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 28 april 2011 aan de door [eiser] ingeschakelde deurwaarder met toepassing van art. 3a lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet aangezegd dat de beslagen strijdig zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat en aanstonds moeten worden opgeheven.

3.2.2

De deurwaarder heeft zich op de voet van art. 3a lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet in verbinding met art. 438 lid 4 Rv tot de voorzieningenrechter gewend, teneinde deze in kort geding tussen de betrokken partijen te laten beslissen over de opheffing van de beslagen.

3.2.3

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat executie van de tussen [eiser] en de DRC gewezen vonnissen niet onrechtmatig is en heeft de verplichtingen zoals omschreven in de aanzegging van de minister opgeheven.

3.3

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vorderingen van [eiser] (i) tot opheffing van de in de aanzegging van de minister omschreven verplichtingen, en (ii) om voor recht te verklaren dat de door de deurwaarder omschreven titels los van de gelegde beslagen ten uitvoer mogen worden gelegd, afgewezen.

3.4

Het middel keert tegen zich het oordeel van het hof in rov. 5 dat het pand – ondanks de verplaatsing van de huisvesting van de diplomatieke vertegenwoordiging van de DRC in Nederland naar Brussel – zijn publieke en diplomatieke bestemming niet heeft verloren en dat het mitsdien niet vatbaar is voor beslag en uitwinning. Volgens onderdeel 2.4 komt het in het kader van de immuniteit van executie aan op het daadwerkelijke (eventueel nog slechts voorbereidende of afbouwende) gebruik van het pand voor werkzaamheden van de zending althans de publieke taak. Volgens onderdeel 2.5 leidt het niet (langer) gebruiken voor dergelijke werkzaamheden tot verlies van immuniteit, waaraan niet afdoet het enkele hebben of zelfs uiten van de intentie om het pand voor diplomatieke of publiekrechtelijke doeleinden te gebruiken, zolang daaraan vóór de beslaglegging geen (begin van) feitelijke uitvoering is gegeven.

3.5.1

Voor zover het middel – blijkens de verwijzingen in onderdeel 2.3 – een beroep doet op het bepaalde in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961, Trb. 1962, 101 en 159 (hierna: WVDV), geldt het volgende.

3.5.2

Krachtens art. 22 lid 1 WVDV zijn de gebouwen van de zending onschendbaar, terwijl krachtens art. 22 lid 3 WVDV deze gebouwen, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending, zijn gevrijwaard tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen. Art. 1 aanhef en onder (i) WVDV verstaat onder ‘gebouwen van de zending’, ‘de gebouwen of delen van gebouwen en de daarbij behorende terreinen, ongeacht wie daarvan de eigenaar is, die gebruikt worden voor de werkzaamheden van de zending, daarbij inbegrepen de ambtswoning van het hoofd van de zending’.

In de in het WVDV voorziene gevallen moet worden verondersteld dat het doelmatig functioneren van de diplomatieke zendingen in het geding is en dat de voorrechten en immuniteiten dus gelden, onverschillig of in het concrete geval het doelmatig functioneren van de diplomatieke zending al dan niet wordt bedreigd (vgl. HR 24 september 2010, LJN BM7679, NJ 2010/507).

Art. 1 aanhef en onder (i) WVDV – uitgelegd overeenkomstig het bepaalde in art. 31 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, Trb. 1972, 51, en 1977, 169 – moet aldus worden begrepen dat de in art. 22 lid 3 voorziene voorrechten en immuniteiten zijn beperkt tot gebouwen die daadwerkelijk worden gebruikt voor de werkzaamheden van de zending (vgl. de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3 vermelde literatuur).

3.5.3

Het vorenstaande brengt mee dat het middel op zichzelf terecht klaagt dat het oordeel van het hof dat het pand – ondanks de verplaatsing van de huisvesting van de diplomatieke vertegenwoordiging van de DRC in Nederland naar Brussel – zijn publieke en diplomatieke bestemming niet heeft verloren en dat het mitsdien niet vatbaar is voor beslag en uitwinning, geen steun vindt in het WVDV.

Uit de preambule van het WVDV blijkt evenwel dat dit verdrag niet beoogt afbreuk te doen aan de toepassing van de regels van het internationale gewoonterecht op aangelegenheden die door de bepalingen van het WVDV niet uitdrukkelijk worden geregeld. Dit betekent dat tevens moet worden onderzocht of het oordeel van het hof strookt met de regels van ongeschreven volkenrecht.

3.6.1

Naar de thans in Nederland als ongeschreven volkenrecht aanvaarde regels is de immuniteit van executie niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn echter in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie (vgl. HR 11 juli 2008, LJN BD1387, NJ 2010/525). In dit verband geldt niet de nadere eis dat de staatseigendommen daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden.

3.6.2

Het vorenstaande vindt steun in de op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, maar nog niet in werking getreden, Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-Verdrag). Het VN-Verdrag behelst een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen (vgl. met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie HR 5 februari 2010, LJN BK6673, NJ 2010/524).

In art. 21 van het VN-Verdrag wordt immuniteit van executie toegekend aan ‘property … which is used or intended for use in the performance of the functions of the diplomatic mission of the State …’. Aldus bestrijkt de immuniteit van executie mede een goed dat is bestemd om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat, maar ten tijde van het treffen van de executiemaatregelen niet daadwerkelijk als zodanig in gebruik is.

3.6.3

Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld (i) dat de DRC tot medio 2009 het pand had bestemd voor en in gebruik had als diplomatieke vestiging in Nederland, (ii) dat de DRC nadien een en andermaal aan de Staat heeft doen weten het pand voor diplomatieke doeleinden, dus in de uitoefening van haar overheidstaak, te willen gebruiken, en (iii) dat [eiser] geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de DRC het pand voor andere dan diplomatieke doeleinden (zoals commerciële verhuur) is gaan gebruiken of dat van plan is of is geweest. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat het pand zijn publieke bestemming niet heeft verloren en dat het mitsdien niet vatbaar is voor beslag en uitwinning.

In het licht van hetgeen hiervoor in 3.6.1 en 3.6.2 is overwogen, is dit oordeel juist.

3.6.4

Aan het vorenstaande doen niet af de in onderdeel 2.7 vermelde stellingen van [eiser] (i) dat het pand geruime tijd leeg heeft gestaan en vervolgens is gekraakt, en (ii) dat de DRC eerst geruime tijd na de beslaglegging door middel van ‘notes verbales’ aan de Staat heeft doen weten dat zij het pand wenste te blijven gebruiken voor de uitoefening van haar overheidstaak. Noch het een noch het ander brengt immers mee dat de DRC heeft beoogd om – na de verplaatsing van de huisvesting van haar diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland naar Brussel in 2009 – wijziging te brengen in de reeds voor 2009 bestaande bestemming van het pand, te weten gebruik in de uitoefening van de overheidstaak van de DRC, in het bijzonder haar diplomatieke werkzaamheden.

3.6.5

Aldus strookt het oordeel van het hof met de in aanmerking komende regels van ongeschreven volkenrecht. Voor zover het middel, in de onderdelen 2.3, 2.4, 2.5 en 2.7, dit oordeel van het hof bestrijdt, faalt het derhalve.

3.7

Onderdeel 2.6 veronderstelt dat het oordeel van het hof berust op de (mogelijke) aanwezigheid van enig archiefmateriaal in het pand. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het oordeel van het hof niet op die veronderstelling berust. Het kan derhalve niet tot cassatie leiden.

De onderdelen 2.1 en 2.2 bevatten geen klacht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 6.128,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 28 juni 2013.