Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:2558

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
12/03237
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:948, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Opeisen eigendom binnen termijn ex art. 3:86.3 BW door verzekeringsmaatschappij. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.b.t. de toepasselijke maatstaf. De Rb heeft de juiste maatstaf toegepast. Het oordeel van de Rb dat het vereiste dat de verzekeringsmaatschappij binnen drie jaar na de diefstal de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist niet meebrengt dat zij binnen die termijn een daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee zij de gestolen zaak als haar eigendom opeist, maar dat voldoende is dat zij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen horlogeband als haar eigendom te willen opeisen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven het gestolen horloge, waaronder begrepen de bijbehorende horlogeband, te willen opeisen, is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

3 december 2013

Strafkamer

nr. 12/03237 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 13 december 2011, nummer RK 11/3333, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. V. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.

2.2.

De Rechtbank heeft het door de klager ingediende klaagschrift, waarmee hij zich verzet tegen de kennisgeving van de Officier van Justitie voornemens te zijn de inbeslaggenomen horlogeband te retourneren aan de verzekeringsmaatschappij Hiscox Versicherung, en teruggave verzoekt van de onder hem inbeslaggenomen horlogeband, ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt daaromtrent het volgende in:

"- wettelijk kader -

Artikel 116 Sv bepaalt dat zodra het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, het openbaar ministerie dit voorwerp doet teruggeven aan degene bij wie het in beslag is genomen. Indien de beslagene afstand heeft gedaan van dat voorwerp kan het openbaar ministerie gelasten het voorwerp te doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Indien - zoals in dit geval - de beslagene geen afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen voorwerp, kan de officier van justitie niettemin de teruggave bevelen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt of de bewaring gelasten, maar de officier van justitie moet vooraf dit voornemen schriftelijk aan de beslagene kenbaar maken. De beslagene kan binnen veertien dagen na ontvangst brief zich over dit voornemen beklagen. Klager is in zoverre ontvankelijk in zijn beklag.

- teruggave -

Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift beoordeelt de rechtbank of de door het openbaar ministerie aangewezen (rechts)persoon ‘redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt’. Aan dit criterium is voldaan als de teruggave ‘op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is’. De raadkamer treedt niet in de beslechting van civielrechtelijke geschillen over eigendom of bezit
(lid 6 van artikel 116 Sv). Wel spelen civielrechtelijke gezichtspunten een rol bij de toetsing of teruggave aan een ander dan beslagene gerechtvaardigd is.

- verkrijging te goeder trouw -

Klager heeft in zijn klaagschrift aangevoerd dat hij het voorwerp te goeder trouw heeft verkregen. Als aan de beslagene een roerende zaak, niet-registergoed, danwel een recht aan toonder of order anders dan om niet is overgedragen en hij bij de verkrijging daarvan te goede trouw was, dan kan hem in beginsel het feit dat degene die het hem heeft overgedragen daartoe niet bevoegd was, niet worden tegengeworpen (artikel 3:86 lid 1 BW). In de onderhavige procedures betekent dat, dat dan in beginsel teruggave aan een ander dan de beslagene op eerste gezicht onredelijk en/of maatschappelijk onverantwoord is.

- revindicatie -

Echter, een belangrijke uitzondering op de regel van de verkrijging te goeder trouw is dat de verkrijging te goeder trouw niet kan worden tegengeworpen aan degene die het bezit van een roerende zaak door diefstal is verloren tot drie jaar na die diefstal. In dat geval kan dus de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolger, in casus de verzekeringsmaatschappij, de zaak als eigendom opeisen. De oorspronkelijke eigenaar heeft dan dus een sterker recht, ongeacht de goeder trouw van beslagene.

(…)

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank, anders dan klager en zijn raadsman, van oordeel dat de verzekeringsmaatschappij Hiscox, die door subrogatie in de rechten van de oorspronkelijke eigenaar is getreden, binnen de wettelijk vereiste termijn van drie jaar het horloge - en daarmee impliciet ook de horlogeband - heeft opgeëist. Immers is bij emailbericht van 14 juli 2009 door Hiscox aan de Duitse politiecommissaris kenbaar gemaakt dat Hiscox aanspraak wenst te maken op het horloge, waarvan zij door de schade-uitkering aan de erfgenaam het eigendomsrecht heeft gekregen. De wet vereist niet dat in letterlijke bewoordingen de afgifte van het voorwerp wordt gevorderd. Nu voorts klager naar het oordeel van de rechtbank geen consumentenbescherming geniet, hoe bekend en betrouwbaar Van der Horst in de kringen waarin klager verkeerd ook te boek stond, komt de rechtbank aan de beoordeling of klager het horloge en de band te goeder trouw heeft verkregen in deze procedure niet toe."

2.3.

De Rechtbank heeft met juistheid overwogen dat zij moet beoordelen of de verzekeringsmaatschappij aan wie de Officier van Justitie de horlogeband wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die horlogeband kan worden aangemerkt. Daarbij gaat het om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die horlogeband (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

2.4.

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de verzekeringsmaatschappij binnen de in art. 3:86, derde lid, BW gestelde termijn de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist.

2.5.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het vereiste dat de verzekeringsmaatschappij binnen drie jaar na de diefstal de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist, niet meebrengt dat de verzekeringsmaatschappij binnen die termijn een daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee zij de gestolen zaak als haar eigendom opeist, maar dat voldoende is dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen horlogeband als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.


2.6. Uit het e-mailbericht van 14 juli 2009 van de verzekeringsmaatschappij aan de Duitse politiecommissaris volgt, naar het oordeel van de Rechtbank, dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven het gestolen horloge, waaronder moet worden begrepen ook de bij dat horloge behorende horlogeband, als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.


2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013.