Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:2100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
12/04711
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:954, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7018, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. Vaststelling bedrag waarmee man is overbedeeld. Vaststelling hoogte spaarloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0009
NJB 2014/95
RvdW 2014/98

Uitspraak

20 december 2013

Eerste Kamer

nr. 12/04711

EV/GB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de man],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak met rolnummer 02/1408 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 september 2003 en 30 juni 2004;

b. de arresten in de zaak 105.002.224/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 augustus 2010 en 29 mei 2012.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 31 augustus 2010 en 29 mei 2012 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft, na aanvankelijk te hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep, bij schriftelijke toelichting zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en afdoening van de zaak door de Hoge Raad zoals vermeld in de conclusie.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn in 1993 met elkaar gehuwd.

(ii) De rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2000 echtscheiding uitgesproken en verdeling bevolen van de huwelijksgoederengemeenschap.

(iii) De echtscheidingsbeschikking is op 5 maart 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In het onderhavige geding hebben de man en de vrouw over en weer gevorderd dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op een bepaalde wijze wordt verdeeld. De rechtbank en het hof hebben de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van bepaalde bedragen.

3.3

De man komt in cassatie op tegen de wijze waarop het hof in het tussenarrest en het eindarrest tot verdeling is overgegaan en tegen de berekening in het eindarrest van de bedragen die hij aan de vrouw dient te betalen.

De vrouw, die aanvankelijk had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, heeft zich bij schriftelijke toelichting alsnog aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd en de Hoge Raad verzocht zelf de zaak af te doen.

3.4.1

Middel 1 klaagt dat het hof in zijn eindarrest een vergissing heeft begaan bij de vaststelling van het bedrag waarmee de man ten opzichte van de vrouw is overbedeeld. Het hof heeft de schuld aan de Postbank ten onrechte in de verdeling betrokken, aldus de klacht.

3.4.2

Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2-2.4, treft deze klacht doel. Kennelijk heeft het hof in rov. 10 van zijn eindarrest de schuld aan de Postbank in de verdeling betrokken, hoewel deze schuld inmiddels is afgelost en het hof in rov. 10 van zijn tussenarrest en in rov. 8 van zijn eindarrest met het oog daarop aan de vrouw en ten laste van de man een afzonderlijke vergoedingsvordering van € 9.525,06 heeft toegekend.

3.5.1

Middel 2 strekt ten betoge dat het hof in het tussenarrest en het eindarrest ten onrechte het in de verdeling betrokken spaarloon van de vrouw heeft bepaald op een bedrag van € 2.320,27 dan wel € 2.320,37. Volgens het middel dient het spaarloon te worden bepaald op een bedrag van € 2.451,59.

3.5.2

Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6, heeft de vrouw bij schriftelijke toelichting erkend dat op dit punt sprake is van een vergissing en voorgesteld om bij de afdoening van de zaak te rekenen met een spaarloon van € 2.451,59.

3.6

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het spaarloon van de vrouw zal worden bepaald op € 2.451,59, en het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen zal worden bepaald op € 8.737,34 (zie voor de berekening de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 augustus 2010 en 29 mei 2012, doch uitsluitend voor zover:

- het spaarloon van de vrouw is bepaald op € 2.320,27 dan wel € 2.320,37; en

- de man is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.253,44 ten titel van overbedeling en tot betaling aan de vrouw van haar vergoedingsvordering ad € 9.525,06;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

- bepaalt het spaarloon van de vrouw op € 2.451,59; en

- veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.737,34;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 20 december 2013.