Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:2056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
12/00175
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1420
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing getuigenverzoek. Herstelmogelijkheid maatstaf. Regiezitting. 2. Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. 3. Vordering beledigde partij. Schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. Een tz. in h.b. kan worden aangemerkt als een 'regiezitting' indien die zitting wordt benut om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van het h.b., beslissingen te nemen die van belang zijn voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling. Het voorbereidende karakter van een dergelijke zitting brengt mee dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de rechter het weliswaar niet nodig acht de beslissing op een verzoek van een procespartij tot het horen van een getuige aan te houden (vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9346), doch hij in de motivering van zijn afwijzende beslissing van dat verzoek niettemin tot uitdrukking brengt dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak de voor de beoordeling van dat verzoek relevante belangen in hun volle omvang – en met toepassing van de ten tijde van de regiezitting geldende beoordelingsmaatstaf – gewogen kunnen worden. Indien die procespartij het in zo een geval wenselijk acht dat de desbetreffende getuige alsnog wordt gehoord, zal hij die wens voorafgaand aan of tijdens die inhoudelijke behandeling kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. De afwijzing door het Hof op de regiezitting van de verzoeken tot het horen van een tweetal getuigen, moet aldus worden verstaan dat het Hof deze verzoeken heeft afgewezen omdat het zich o.b.v. wat bij gelegenheid van de regiezitting ter tafel was, onvoldoende ingelicht achtte om – met toepassing van de daarvoor geldende maatstaf – de verzoeken te kunnen toewijzen. Nu de verdediging haar verzoek tot het horen van de twee getuigen bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak niet meer naar voren heeft gebracht, bestond voor het Hof bij die behandeling geen aanleiding zich ambtshalve te buigen over de vraag of dit eerder als onvoldoende onderbouwd afgewezen verzoek alsnog voor toewijzing in aanmerking kwam. Wanneer gedurende een eerdere tz. een verzoek van een procespartij is afgewezen en de rechter nadien constateert dat aan die afwijzing een gebrek kleeft ten aanzien van bijvoorbeeld de daarin gehanteerde beoordelingsmaatstaf, zal de rechter dit gebrek kunnen herstellen door op de latere tz. het verzoek ambtshalve opnieuw aan de orde te stellen en – indien de desbetreffende procespartij het verzoek handhaaft – daarover opnieuw te beslissen a.d.h.v. de t.t.v. die eerdere tz. geldende beoordelingsmaatstaf doch met inachtneming van alle gegevens die hem t.t.v. het nemen van zijn beslissing bekend zijn. Met deze herstelmogelijkheid wordt de kwaliteit van de gedingvoering bevorderd en wordt ook voorkomen dat een strafzaak wordt behandeld en afgerond terwijl ten tijde van die behandeling en afronding reeds vaststaat dat een eerder in die zaak gegeven beslissing lijdt aan een gebrek dat grond zou kunnen bieden aan bijvoorbeeld een cassatieklacht. Ad 2. Het in ’s Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat de niet-naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot OM n-o geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0537 m.b.t. het niet van toepassing zijn van de artt. 51a, 51b en 36f Sr op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van iwtr daarvan i.c. op 1 april 1995. De HR herhaalt voorts HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8798, m.b.t het niet in stand kunnen blijven van de betreffende uitspraak v.zv. daarbij de vordering van de beledigde partij is toegewezen tot een bedrag van meer dan € 680,67 (f 1.500,-) zijnde het toentertijd ex art. 56 (oud) RO ten hoogste toegestane bedrag van de door de beledigde partij te vorderen schadevergoeding, en v.zv. daarbij ex art. 36f Sr aan verdachte een betalingsverplichting is opgelegd.HR doet de zaak wat betreft de vordering van de beledigde partij en de opgelegde svma zelf af en verwerpt het beroep voor het overige.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 287
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 322
Wetboek van Strafvordering 418
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/22 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2014-0020
VA 2015/16
NJB 2014/161

Uitspraak

20 december 2013

Strafkamer

nr. 12/00175

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 december 2011, nummer 23/005986-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de beledigde partij heeft mr. A.P. Hendriks, advocaat te Amsterdam, schriftelijk commentaar gegeven op het beroep van de verdachte.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarbij de vordering van de beledigde partij is toegewezen tot een bedrag van € 8.610,90 en voor zover daarbij aan de verdachte een verplichting tot betaling aan de Staat is opgelegd ten behoeve van de beledigde partij bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 dagen hechtenis, tot toewijzing van een bedrag van € 680,67 aan de beledigde partij, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Tenlastelegging en bewezenverklaring

2.1.

Aan de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 1982 tot en met 24 april 1989 te Amsterdam en/of Ursem, althans ergens in Nederland (telkens) vleselijke gemeenschap heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1977, immers heeft hij, verdachte (telkens) zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina van [slachtoffer] (zijnde zijn stiefdochter) gestopt en/of heen en weer bewogen."

2.2.

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 1988 tot en met 24 april 1989 te Amsterdam en Ursem telkens vleselijke gemeenschap heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1977, immers heeft hij, verdachte, telkens [de Hoge Raad leest:] zijn penis en zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer], zijnde zijn stiefdochter, gestopt en heen en weer bewogen."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen.

3.2.1.

Tot de stukken van het geding behoort een door de raadsman van de verdachte op 30 september 2010 ingediende appelschriftuur. Deze houdt onder meer het volgende in:

"Grieven

(...)

Ten derde is cliënt het niet eens met de bewezenverklaarde periode. Naar aanleiding van de onderhavige strafzaak heeft cliënt voor zichzelf het één en ander nog eens op een rij gezet en is hij tot de conclusie gekomen dat de door de rechtbank bewezenverklaarde periode niet juist is.

(...)

Onderzoekswensen

In het kader van de behandeling van de zaak bij uw Hof wenst de verdediging de navolgende getuigen te horen:

(...)

b) [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats], wonende [a-straat 1] te [woonplaats]

Motivering:

(...)

Voor wat betreft de moeder wenst de verdediging haar te confronteren met de verklaringen van aangeefster. Met name vanwege de aard en frequentie van de seksuele contacten waarover aangeefster heeft verklaard, in combinatie met het feit dat de moeder van aangeefster nooit iets gemerkt zou hebben.

Daarnaast wenst de verdediging nog de navolgende getuigen te horen:

a) [betrokkene 2], verdere gegevens onbekend.

Motivering:

Deze getuige betreft de oudere broer van aangeefster. Aangeefster heeft toegegeven ook met hem meerdere keren seks te hebben gehad. Deze seks vond plaats in dezelfde periode als waarin het seksueel misbruik door cliënt zou hebben plaatsgevonden. De verdediging wenst deze getuige nadere vragen te stellen omtrent de seksuele handelingen tussen hem en aangeefster. Tevens wenst de verdediging de getuige vragen te stellen of en in hoeverre aangeefster met hem ooit over het seksueel misbruik door cliënt heeft gesproken. Dit is met name van belang nu uit de verklaring die de getuige ter terechtzitting bij de rechtbank heeft afgelegd en ook overigens uit haar aangiftes de indruk ontstaat dat zij geen onderscheid meer kan maken tussen de seksuele handelingen die verricht zouden zijn met cliënt en met haar broer."

3.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2010 houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman voert het woord - zakelijk weergegeven -:

Ik wil verwijzen naar de appelschriftuur en ik verzoek u deze als herhaald en ingelast te beschouwen.

Ten aanzien van de reeds verzochte getuigen wil ik het volgende toevoegen:

(...)

2. De moeder van het slachtoffer: dit is van belang voor de weging van de bewijsmiddelen en de strafmaat.

U houdt mij voor dat mr. Jonk in eerste aanleg heeft afgezien van het horen van deze getuige. Hierover kan ik niets zeggen.

3. De broer van het slachtoffer: dit is van belang voor de weging van de bewijsmiddelen en de strafmaat.

Voor het overige persisteer ik bij hetgeen in de appelschriftuur staat.

(...)

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat:

(...)

- het verzoek tot het horen van de moeder van het slachtoffer, [betrokkene 1], wordt afgewezen. Het hof acht dit verzoek onvoldoende onderbouwd in het licht van de (in periode beperkte) bewezenverklaring en de eigen verklaring van de verdachte in eerste aanleg;

- het verzoek tot het horen van de broer van het slachtoffer, [betrokkene 2], wordt afgewezen.

Het hof acht dit verzoek onvoldoende onderbouwd in het licht van de (in periode beperkte) bewezenverklaring en de eigen verklaring van de verdachte in eerste aanleg."

3.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2011 houdt niets in omtrent een verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen.

3.3.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 2004, 579) houdt onder het hoofdje 'regiezittingen' onder meer het volgende in:

"De Nederlandse strafrechtspraktijk is in de afgelopen jaren in toenemende mate geconfronteerd met grote strafzaken. Teneinde te bevorderen dat de behandeling van deze zaken zo effectief mogelijk plaats kan vinden heeft zich in de praktijk de gewoonte ontwikkeld van de zogenaamde regiezittingen. Met deze term worden zittingen aangeduid waar, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, beslissingen worden genomen die voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling van belang zijn. Daarbij valt vooral te denken aan beslissingen inzake het horen van getuigen. Daarnaast worden op deze zittingen ook wel andere beslissingen genomen, te denken valt vooral aan beslissingen inzake preliminaire verweren.

(...)

Een complicatie treedt (...) op als het onderzoek na de regiezitting door de rechtbank in gewijzigde samenstelling wordt hervat. Thans bestaat in die gevallen de verplichting het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aan te vangen. De wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen (raadsheer-commissaris), Stb. 143 beperkt deze verplichting door in een nieuw artikel 322, derde lid, Sv mogelijk te maken dat het onderzoek ter terechtzitting bij instemming van de officier van justitie en de verdachte wordt voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Bij ontbreken van instemming dient evenwel het gehele onderzoek, inclusief de beoordeling van de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding (artikel 278 Sv), de beoordeling van preliminaire verweren (artikel 283 Sv), alsmede de beoordeling van verzoeken in verband met het horen van getuigen of deskundigen (artikelen 287, 288 Sv) over te worden gedaan. Dat kan tot een betrekkelijk zinloze herhaling van zetten leiden. De reden om voortzetting van de behandeling in gewijzigde samenstelling van de instemming van procespartijen afhankelijk te maken, ligt daarin dat voorkomen dient te worden dat de «nieuwe» rechter tegen de wil van procespartijen informatie kan worden onthouden die voor de beoordeling van de strafzaak van belang is, en die bij een integrale nieuwe behandeling wel beschikbaar komt. Er is geen reden om bij een nieuwe behandeling ook al deze beslissingen over te doen. Daarbij kan nog aangestipt worden dat formele verweren in het pleidooi herhaald kunnen worden, en dat de rechtbank – als de noodzaak daartoe blijkt – getuigen alsnog kan oproepen. Indien de rechtbank, bijvoorbeeld naar aanleiding van opmerkingen van een rechter die in een later stadium aan de berechting gaat deelnemen, aanleiding ziet om op eerdere beslissingen terug te komen, heeft zij daar materieel dan ook mogelijkheden toe. Voorgesteld wordt een nieuw artikel 322, vierde lid, Sv waarin wordt bepaald dat de aangegeven beslissingen ook in het geval het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in stand blijven. In dit vierde lid zijn voorts ook de beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging vermeld: ook op een dergelijke vordering behoeft na de schorsing niet opnieuw te worden beslist." (Kamerstukken II 2003/04, 29254, nr. 3, p. 4, 5)

3.4.

Een terechtzitting in hoger beroep kan worden aangemerkt als een 'regiezitting' in de hiervoor in de wetsgeschiedenis aangeduide zin indien die zitting wordt benut om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, beslissingen te nemen die van belang zijn voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling. Het voorbereidende karakter van een dergelijke zitting brengt mee dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de rechter het weliswaar niet nodig acht de beslissing op een verzoek van een procespartij tot het horen van een getuige aan te houden (vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9346), doch hij in de motivering van zijn afwijzende beslissing van dat verzoek niettemin tot uitdrukking brengt dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak de voor de beoordeling van dat verzoek relevante belangen in hun volle omvang – en met toepassing van de ten tijde van de regiezitting geldende beoordelingsmaatstaf – gewogen kunnen worden. Indien die procespartij het in zo een geval wenselijk acht dat de desbetreffende getuige alsnog wordt gehoord, zal hij die wens voorafgaand aan of tijdens die inhoudelijke behandeling kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen.

3.5.

In deze zaak moet de terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2010 worden aangemerkt als een 'regiezitting' in voornoemde zin, bedoeld om – vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van de zaak, welke plaatsvond op 1 december 2011 – beslissingen te nemen die van belang waren voor de omvang en inrichting van de inhoudelijke behandeling. In een geval als het onderhavige waarin in de appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv, een opgave van getuigen wordt gedaan, dient de rechter, gelet op art. 418, eerste lid, Sv – behoudens de zich hier niet voordoende uitzondering van art. 418, tweede lid, Sv – de in art. 288, eerste lid, Sv voorziene maatstaf te hanteren. De afwijzing door het Hof ter terechtzitting van 21 december 2010 van de verzoeken tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen op de grond dat deze verzoeken 'onvoldoende onderbouwd' waren, moet tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.4 is overwogen aldus worden verstaan dat het Hof deze verzoeken heeft afgewezen omdat het zich op basis van wat bij gelegenheid van de regiezitting ter tafel was, onvoldoende ingelicht achtte om – met toepassing van de daarvoor geldende beoordelingsmaatstaf – de verzoeken te kunnen toewijzen.

3.6.

Nu de verdediging haar verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak niet meer naar voren heeft gebracht, bestond voor het Hof bij die behandeling geen aanleiding zich ambtshalve te buigen over de vraag of dit eerder als onvoldoende onderbouwd afgewezen verzoek alsnog voor toewijzing in aanmerking kwam.

3.7.

Het middel faalt.

3.8.

Opmerking verdient nog dat wanneer gedurende een eerdere terechtzitting een verzoek van een procespartij is afgewezen en de rechter nadien constateert dat aan die afwijzing een gebrek kleeft ten aanzien van bijvoorbeeld de daarin gehanteerde beoordelingsmaatstaf, de rechter dit gebrek zal kunnen herstellen door op de latere terechtzitting het verzoek ambtshalve opnieuw aan de orde te stellen en – indien de desbetreffende procespartij het verzoek handhaaft – daarover opnieuw te beslissen aan de hand van de ten tijde van die eerdere terechtzitting geldende beoordelingsmaatstaf doch met inachtneming van alle gegevens die hem ten tijde van het nemen van zijn beslissing bekend zijn. Met deze herstelmogelijkheid wordt de kwaliteit van de gedingvoering bevorderd en wordt ook voorkomen dat een strafzaak wordt behandeld en afgerond terwijl ten tijde van die behandeling en afronding reeds vaststaat dat een eerder in die zaak gegeven beslissing lijdt aan een gebrek dat grond zou kunnen bieden aan bijvoorbeeld een cassatieklacht.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte omdat tijdens het voorbereidend onderzoek niet is gehandeld conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (Stcrt. 2008, 253; hierna: de Aanwijzing).

4.2.

Het in het middel bedoelde verweer, de verwerping daarvan door het Hof en de inhoud van de Aanwijzing zijn - voor zover in cassatie van belang - weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 tot en met 4.5.

4.3.

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat het in het middel bedoelde verweer moet worden verworpen, nu de niet-naleving van de Aanwijzing niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk.

4.4.

Het middel faalt.

5 Beoordeling van het vijfde middel

5.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de in art. 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd en de vordering van de beledigde partij heeft toegewezen voor zover die toewijzing het bedrag van € 680,67 te boven gaat.

5.2.

Het Hof heeft de vordering van de beledigde partij toegewezen tot een bedrag van € 8.610,90, haar in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, en voorts aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de beledigde partij van een bedrag van € 8.610,90, subsidiair 78 dagen hechtenis.

5.3.

De art. 51a en 51b Sv en art. 36f Sr zijn in onder meer het arrondissement Amsterdam, waar de zaak in eerste aanleg is berecht, in werking getreden op 1 april 1995 (Besluit van 30 maart 1995, Stb. 1995, 160). Deze artikelen zijn ingevolge art. IX, eerste lid, van de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van de inwerkingtreding (vgl. HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0537, NJ 2002/390). Uit de bewezenverklaring volgt dat het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, is begaan vóór 1 april 1995.

5.4.

Nu hier het recht van vóór 1 april 1995 geldt, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover daarbij de vordering van de beledigde partij is toegewezen tot een bedrag van meer dan € 680,67 (ƒ 1.500,–) zijnde het toentertijd ingevolge art. 56 (oud) RO ten hoogste toegestane bedrag van de door de beledigde partij te vorderen schadevergoeding, en voor zover daarbij op de voet van art. 36f Sr aan de verdachte een betalingsverplichting, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis, is opgelegd. Het middel slaagt in zoverre (vgl. HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8798).

5.5.

Gelet op het vorenstaande zal de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigen voor zover het toegewezen bedrag van de vordering van de beledigde partij het bedrag van € 680,67 te boven gaat. Voorts zal de Hoge Raad de beledigde partij voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

6 Beoordeling van het derde middel en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO – en wat betreft het vierde middel HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556 – geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarbij de vordering van de beledigde partij is toegewezen tot een hoger bedrag dan € 680,67 en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel van € 8.610,90, subsidiair 78 dagen hechtenis, is opgelegd;

verklaart de beledigde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze een bedrag van € 680,67 te boven gaat;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2013.