Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:2043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
12/04360
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:778, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal wegvervoer. Verjaring art. 32 lid 1 CMR. Na schorsing verjaring (art. 32 lid 2 CMR) nog schorsing of stuiting naar nationaal recht mogelijk (art. 32 lid 3 CMR)? Verhouding tussen eenvormig recht en nationaal recht. Strekking CMR en korte verjaringstermijn. Kwalificatie instelling vordering (art. 3:316 BW), schriftelijke aanmaning of mededeling (art. 3:317 BW) en erkenning (art. 3:318 BW) met het oog op toepassing van art. 32 CMR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 177, m.nt. mw. mr. M.J. Boon
NTHR 2014, afl. 2, p. 99
NJB 2014/90
RvdW 2014/135
RAV 2014/30
S&S 2014/62
JWB 2014/16
NJ 2014/295

Uitspraak

20 december 2013

Eerste Kamer

nr. 12/04360

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

BRINKY BOUW EN ONTWIKKELING B.V.,
gevestigd te Ermelo,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. N.T. Dempsey en mr. R.S. Meijer,

t e g e n

HAZELEGER TRANSPORTEN B.V.,
gevestigd te Renswoude,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Brinky en Hazeleger.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 241392/HA ZA 07-2325 van de rechtbank Utrecht van 13 februari 2008 en 8 oktober 2008;

b. het arrest in de zaak 200.023.803 van het gerechtshof te Amsterdam van 29 mei 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Brinky beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Hazeleger is verstek verleend.

De zaak is voor Brinky toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Mr. Dempsey heeft namens Brinky bij brief van
18 september 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Hazeleger heeft in december 2005 van Brinky de opdracht gekregen een zending van 140.000 (eendags)kuikens van Denemarken te vervoeren naar een bedrijf genaamd Lomonosovskaya te Sint Petersburg in Rusland. Hazeleger heeft deze opdracht aanvaard.

(ii) De vervoersovereenkomst wordt beheerst door de bepalingen van het CMR-Verdrag (hierna: CMR).

(iii) Het vervoer door Hazeleger naar Rusland heeft plaatsgevonden per vrachtauto. Tijdens het vervoer is de brandstof in de vrachtauto door de lage buitentemperatuur gaan vlokken, waardoor de laadruimte met daarin de kuikens niet langer kon worden verwarmd. Ook de noodaggregaten werkten niet.

(iv) Bij aankomst in Rusland op 29 december 2005 bleken in elk geval 110.000 kuikens te zijn overleden.

(v) Lomonosovskaya heeft Brinky gemachtigd namens haar in rechte op te treden. Brinky heeft Hazeleger op 2 januari 2006 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het overlijden van de kuikens. De schade is begroot op € 51.655,39.

(vi) Bij brief van 30 juni 2006 heeft Hazeleger iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3.2

Bij inleidende dagvaarding van 5 december 2007 heeft Brinky gevorderd dat Hazeleger wordt veroordeeld tot betaling van het hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde bedrag, op de grond – kort gezegd – dat Hazeleger is tekortgeschoten in de nakoming van de vervoersovereenkomst.

Hazeleger heeft zich primair verweerd met een beroep op verjaring. Volgens Hazeleger geldt op grond van art. 32 lid 1 CMR een verjaringstermijn van één jaar, welke termijn moet worden gerekend vanaf de aflevering op 29 december 2005. Door Brinky’s aansprakelijkstelling van 2 januari 2006 is de verjaring op de voet van art. 32 lid 2 CMR geschorst. Nadat Hazeleger op 30 juni 2006 iedere aansprakelijkheid heeft afgewezen, is de schorsing van de verjaring krachtens art. 32 lid 2 CMR opgeheven. De resterende verjaringstermijn van 362 dagen was al verstreken op het moment dat Brinky Hazeleger heeft gedagvaard, aldus Hazeleger.

Ter afwering van het beroep op verjaring heeft Brinky aangevoerd dat op grond van art. 32 lid 3 CMR de stuiting wordt bepaald door de wet van het land waar de zaak dient (lex fori). Naar Nederlands recht wordt de verjaring gestuit door schriftelijke stukken waaruit blijkt dat aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding (art. 3:317 lid 1 BW). Brinky heeft betoogd dat zij met haar brieven van 29 augustus 2006 en 16 april 2007, waarin zij ondubbelzinnig haar aanspraak op schadevergoeding heeft herhaald, de verjaringstermijn steeds opnieuw heeft gestuit.

3.3.1

De rechtbank heeft het beroep van Hazeleger op verjaring verworpen. Vervolgens heeft de rechtbank Hazeleger aansprakelijk geacht voor de door Brinky geleden schade en een bedrag aan schadevergoeding toegewezen.

3.3.2

Het hof heeft geoordeeld dat Hazeleger zich met succes kan beroepen op verjaring ingevolge art. 32 lid 1 CMR en heeft op die grond de vorderingen van Brinky afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.

Het beroep van Hazeleger op verjaring werpt de vraag op naar de verhouding tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR, meer in het bijzonder de vraag of samenloop van schorsing en stuiting van de verjaring mogelijk is. Deze vraag van uitleg van de CMR moet geschieden aan de hand van art. 31 en 32 Weens Verdragenverdrag. (rov. 4.4)

In de visie van het hof staat in art. 32 lid 3 CMR, naar de tekst daarvan, niet méér dan dat voor de stuiting de lex fori geldt, zodat voor de betekenis van deze bepaling drie mogelijkheden openstaan:

(i) De samenhang tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR moet aldus worden begrepen dat een naar Nederlands recht naar de vorm geldige stuitingshandeling (art. 3:317 lid 1 BW) de verjaring schorst als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR, en dat indien op die wijze is geschorst, de vervoerder een einde kan maken aan de schorsing door de vordering af te wijzen; een nieuwe stuitingshandeling is niet mogelijk, omdat de stuiting naast de schorsing geen zelfstandige dan wel aanvullende betekenis heeft in de CMR (rov. 4.8).

(ii) Tussen de in de CMR wel geregelde schorsing en de niet in de CMR geregelde stuiting bestaat geen verband, en de stuiting wordt geheel aan de lex fori overgelaten; indien in het nationale recht schorsing naast stuiting niet voorkomt, is bij uitsluiting de nationale stuitingsregeling van toepassing en heeft het tweede lid van art. 32 CMR geen betekenis in dat nationale recht (rov. 4.9).

(iii) In het stelsel van de CMR kunnen schorsing en stuiting naast (of na) elkaar bestaan; dit brengt mee dat na schorsing herhaalde stuiting mogelijk is, ook voor dezelfde rechtsvordering (rov. 4.10).

Het hof heeft de eerste uitlegmogelijkheid aanvaard en is op grond van het doel en de strekking van art. 32 CMR en de gevolgen voor in het bijzonder de rechtszekerheid tot de slotsom gekomen dat de schorsing als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR wordt bewerkstelligd door een stuitingshandeling die op het punt van de formele vereisten geldig is naar Nederlands recht. Gevolg van die handeling is dat de verjaringstermijn wordt geschorst – en dus niet gestuit – totdat de vervoerder de vordering afwijst. Na afwijzing loopt de resterende verjaringstermijn door, welke termijn niet kan worden gestuit door een nieuwe stuitingshandeling indien die ziet op dezelfde vordering. De ladingbelanghebbende moet dan binnen de resterende termijn een vordering aanhangig maken, bij gebreke waarvan de vordering verjaart. (rov. 4.17)

In het onderhavige geval is de verjaringstermijn aangevangen op 29 december 2005. Vanaf de aansprakelijkstelling op 2 januari 2006 tot de afwijzing daarvan op 30 juni 2006 is de verjaringstermijn geschorst. Nadien resteerde nog een termijn van 362 dagen. Brinky heeft Hazeleger echter pas op 5 december 2007 gedagvaard, en op dat moment was haar vordering reeds verjaard, aldus het hof. (rov. 4.19)

3.4

Het middel betoogt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 32 lid 2 en 3 CMR. Anders dan het hof heeft overwogen, is stuiting van de verjaring op grond van art. 32 lid 3 CMR mogelijk indien en onder de voorwaarden waarop stuiting van de verjaring volgens de lex fori mogelijk is. Het hof heeft miskend dat schorsing en stuiting van de verjaring verschillende rechtsfiguren zijn die (ook) in de CMR uitdrukkelijk worden onderscheiden. In het onderhavige geval was derhalve na de opheffing van de schorsing op de voet van art. 32 lid 2 CMR alsnog stuiting door middel van een schriftelijke aanmaning als bedoeld in art. 3:317 BW mogelijk, aldus het middel.

3.5.1

Voor zover in cassatie van belang luidt de tekst van art. 32 lid 2 en 3 CMR als volgt.

De Franse authentieke tekst luidt:

‘2. Une réclamation écrite suspend la prescription jusqu’au jour où le transporteur repousse la réclamation par écrit et restitue les pièces qui y étaient jointes. (...) Les réclamations ultérieures ayant le même objet ne suspendent pas la prescription. 3. Sous réserve des dispositions du paragraphe 2 ci-dessus, la suspension de la prescription est régie par la loi de la juridiction saisie. Il en est de même en ce qui concerne l’interruption de la prescription.’

De Engelse authentieke tekst luidt:

‘2. A written claim shall suspend the period of limitation until such date as the carrier rejects the claim by notification in writing and returns the documents attached thereto. (...) The running of the period of limitation shall not be suspended by further claims having the same object.

3. Subject to the provisions of paragraph 2 above, the extension of the period of limitation shall be governed by the law of the court or tribunal seised of the case. That law shall also govern the fresh accrual of rights of action.’

De Nederlandse vertaling (opgenomen in Trb. 1957, 84) luidt:

‘2. Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. (...) Verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen schorsen de verjaring niet.

3. Met inachtneming van de bepalingen van het tweede lid, wordt de schorsing van de verjaring beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. Hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring.’

3.5.2

Het hof heeft – in cassatie (terecht) onbestreden – vastgesteld dat waar de Nederlandse vertaling van art. 32 lid 3, tweede volzin, CMR begint met de woorden ‘Hetzelfde geldt …’, daarmee wordt verwezen naar het toepasselijke recht en niet (ook) naar de eerste volzin van het derde lid (rov. 4.7).

3.6

Het middel werpt een vraag op van uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR, derhalve van eenvormig privaatrecht, die dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51, en 1985, 79; hierna: Verdrag van Wenen) (vgl. HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1191, NJ 1992/106, en HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6315, NJ 2010/481).

Op grond van art. 31 lid 1 Verdrag van Wenen moet art. 32 CMR worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van deze bepaling met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van de CMR. Uit art. 31 lid 3, aanhef en onder b, Verdrag van Wenen volgt dat behalve met de context ook rekening moet worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de verdragspartijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan, hetgeen meebrengt dat ook de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden een primair interpretatiemiddel bij de uitleg van de CMR vormt.

Voorts geldt dat voor de uitleg van de CMR geen gebruik kan worden gemaakt van de wordingsgeschiedenis van het verdrag omdat geen verslag of documentatie van de voorbereidende werkzaamheden (‘travaux préparatoires’) is gepubliceerd of anderszins voor publieke inzage beschikbaar is, zodat het bepaalde in art. 32 Verdrag van Wenen bij de uitleg van de CMR niet kan worden toegepast (vgl. HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1191, NJ 1992/106).

3.7

Zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5 ontbreekt in de binnen- en buitenlandse rechtspraak en literatuur een heersende opvatting over de uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR en over hun onderlinge verhouding. Dit vindt mede zijn oorzaak in de omstandigheid dat de nationale rechtsstelsels van de bij de CMR aangesloten staten uiteenlopende regelingen kennen ten aanzien van de wijze(n) van schorsing en stuiting van verjaring alsmede de rechtsgevolgen daarvan. Aldus kan voor de uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR geen gebruik worden gemaakt van het in art. 31 lid 3, aanhef en onder b, Verdrag van Wenen bedoelde interpretatiemiddel.

3.8.

Blijkens de preambule van de CMR hebben de verdragsluitende Staten met de opstelling van de verdragsregeling beoogd de voorwaarden van de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, in het bijzonder wat betreft de voor dit vervoer te gebruiken documenten en de aansprakelijkheid van de vervoerder, ‘op eenvormige wijze te regelen’. Voorwerp en doel van de CMR – als bedoeld in art. 31 lid 1 Verdrag van Wenen – is derhalve de eenmaking van het privaatrecht op het terrein van het internationaal wegvervoer.

Voorts is met de korte verjaringstermijn van art. 32 CMR onder meer beoogd partijen in de transportsector rechtszekerheid te verschaffen (vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6315, NJ 2010/481). Zoals het hof in rov. 4.13 terecht heeft overwogen, is de transportsector gebaat bij korte verjaringstermijnen, omdat deze een snelle afhandeling van lopende geschillen bevorderen.

3.9

De in het onderhavige geding centraal staande vraag van uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR spitst zich toe op de afbakening van het toepassingsgebied van de rechtsregels die in de verdragsregeling zelf zijn neergelegd of besloten liggen, ten opzichte van het toepassingsgebied van het nationale recht (lex fori) waarnaar de verdragsregeling verwijst.

Het strookt met hetgeen hiervoor in 3.8 is overwogen om bij deze afbakening het toepassingsgebied van de verdragsregeling ruim uit te leggen, en het toepassingsgebied van het nationale recht strikt op te vatten. Langs deze weg wordt immers de met de CMR en de verjaringsregeling van art. 32 CMR beoogde eenmaking van het privaatrecht op het terrein van het internationaal wegvervoer zoveel mogelijk bevorderd, en daarmee tevens de rechtszekerheid en de snelle afhandeling van lopende geschillen.

In dit licht noopt de hiervoor in 3.7 genoemde omstandigheid dat de nationale rechtsstelsels van de bij de CMR aangesloten staten uiteenlopende regelingen kennen ten aanzien van de wijze(n) van schorsing en stuiting van verjaring alsmede de rechtsgevolgen daarvan, eveneens tot een uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR waarbij het toepassingsgebied van het nationale recht wordt teruggedrongen ten gunste van dat van de eenvormige verdragsregeling.

Ten slotte past een strikte opvatting van het toepassingsgebied van het nationale recht bij het streven naar het ontmoedigen van forum shopping, waarbij iedere partij probeert (als eerste) de zaak aanhangig te maken bij de rechter wiens nationale recht de voor haar gunstigste regeling kent, zoals die met betrekking tot schorsing en stuiting van verjaring.

3.10.1

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de volgende uitleg van het tweede en het derde lid van art. 32 CMR en van hun onderlinge verhouding.

3.10.2

Art. 32 lid 2 CMR regelt op eenvormige wijze het intreden, de rechtsgevolgen en de opheffing van de schorsing van de verjaring die op grond van art. 32 lid 1 CMR is aangevangen. Dit tweede lid bepaalt in het bijzonder (i) dat een ‘schriftelijke vordering’ als bedoeld in deze bepaling (vgl. met betrekking tot dit begrip HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2839, NJ 2012/362) schorsing bewerkstelligt, (ii) op welk tijdstip en door welke handeling van de vervoerder deze schorsing wordt opgeheven, en (iii) dat verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen.

3.10.3

Art. 32 lid 3 CMR verwijst naar het nationale recht (lex fori), welke verwijzing aldus moet worden begrepen dat zij ziet op de wijze(n) en de rechtsgevolgen van schorsing of stuiting van de verjaring van art. 32 lid 1 CMR, anders dan door middel van de in art. 32 lid 2 CMR voorziene (en eenvormig uit te leggen) ‘schorsing’ door middel van een ‘schriftelijke vordering’. Het is derhalve aan het nationale recht overgelaten om te bepalen door middel van welke niet-verdragsrechtelijke handelingen kan worden bereikt dat schorsing of stuiting van de verjaring van art. 32 lid 1 CMR intreedt, en welke niet-verdragsrechtelijke gevolgen daaraan zijn verbonden. Daarbij valt voor het Nederlandse recht te denken aan stuiting, die wordt bewerkstelligd door het instellen van een eis in rechte (art. 3:316 BW), door een schriftelijke aanmaning of mededeling (art. 3:317 BW) of door erkenning van de vordering (art. 3:318 BW).

3.10.4

Ten aanzien van de verhouding tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR heeft te gelden dat het nationale recht waarnaar het derde lid verwijst, de eenvormige regels van het tweede lid onverlet laat. Waar de verdragsrechtelijke regeling van het tweede lid bepaalt dat na de opheffing van de schorsing door de vervoerder verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen, kan daarop dan ook geen inbreuk worden gemaakt door een in het derde lid bedoelde schorsings- of stuitingshandeling naar nationaal recht, voor zover laatstgenoemde handeling in dit verband moet worden aangemerkt als een (schriftelijke) vordering als bedoeld in het tweede lid.

3.10.5

Het vorenstaande betekent dat indien de verjaring van art. 32 lid 1 CMR door een schriftelijke vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en deze schorsing vervolgens op de voet van art. 32 lid 2 CMR is opgeheven, een schriftelijke aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 BW, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de eerdere schriftelijke vordering, niet ertoe kan leiden dat de verjaring wederom wordt geschorst of alsnog wordt gestuit. De schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 BW moet in dit verband immers worden aangemerkt als een vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.

Art. 32 lid 2 CMR belet evenwel niet dat door het instellen van een eis in rechte op de voet van art. 3:316 BW of door erkenning van de vordering op de voet van art. 3:318 BW, de verjaring van art. 32 lid 1 CMR rechtsgeldig wordt gestuit, ongeacht of deze verjaring in een eerder stadium op de voet van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en of deze schorsing reeds is opgeheven. Het instellen van een eis in rechte en erkenning van de vordering kunnen in dit verband immers niet worden aangemerkt als vorderingen als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.

3.11

In het onderhavige geval is in cassatie onbestreden (i) dat de verjaring van Brinky’s vordering op Hazeleger ingevolge art. 32 lid 1 CMR liep vanaf de dag waarop de goederen waren afgeleverd, dat wil zeggen vanaf 29 december 2005, (ii) dat deze verjaring op 2 januari 2006 op de voet van art. 32 lid 2 CMR werd geschorst, doordat Brinky Hazeleger aansprakelijk heeft gesteld door middel van een schriftelijke vordering als bedoeld in deze bepaling, (iii) dat deze schorsing op 30 juni 2006 op de voet van art. 32 lid 2 CMR werd opgeheven, doordat Hazeleger schriftelijk iedere aansprakelijkheid heeft afgewezen, en (iv) dat na deze opheffing van de schorsing de verjaring krachtens art. 32 lid 2 CMR voor het resterende deel van de termijn is doorgelopen.

Anders dan het middel betoogt, hebben Brinky’s (hiervoor in 3.2 genoemde) brieven van 29 augustus 2006 en 16 april 2007, waarin zij ondubbelzinnig haar aanspraak op schadevergoeding heeft herhaald, niet ertoe geleid dat de verjaring van art. 32 lid 1 CMR werd gestuit. Nu deze brieven moeten worden aangemerkt als schriftelijke vorderingen in de zin van art. 32 lid 2 CMR en zij betrekking hadden op hetzelfde onderwerp als Brinky’s schriftelijke vordering van 2 januari 2006, belette art. 32 lid 2 CMR dat door die brieven de verjaring wederom werd geschorst of alsnog werd gestuit.

3.12

Het middel faalt derhalve.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Brinky in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Hazeleger begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 20 december 2013.