Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:2013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
13/01377
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9360, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1964, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Verjaring. Art. 70 Sr. Verlening verjaringstermijn bij overtredingen van 2 naar 3 jaar. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BK1998. Het uitgangspunt dat ingeval van verandering van wetgeving m.b.t. de verjaringstermijn deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd, geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Het Hof heeft ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling in 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/157
RvdW 2014/142
NJ 2014/204

Uitspraak

17 december 2013

Strafkamer

nr. S 13/01377

KM/IF

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2012, nummer 23/003341-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat de zaak op het bestaande beroep kan worden berecht en afgedaan.

2 De bestreden uitspraak

2.1.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte overtreding van art. 5 WVW 1994, begaan op of omstreeks 6 december 2007, tenlastegelegd.

2.2.

Het Hof heeft – met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam van 6 april 2010 – het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van voormeld feit.

Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"De procesgang

De verdachte wordt verdacht van overtreding van het bepaalde van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) begaan op 6 december 2007, waarover hij op die dag ook door de politie is gehoord.

Op 17 maart 2010 is hij gedagvaard teneinde ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen op 6 april 2010.

Op 30 juli 2010 is hem de uitspraak betekend, waartegen hij op 5 augustus 2010 hoger beroep heeft ingesteld. Op 29 november 2011 heeft de fungerend voorzitter van het gerechtshof bevolen dat de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt. Op 4 juni 2012 heeft het hof de zaak ter terechtzitting behandeld.

(...)


Is het tenlastegelegde feit verjaard?

Volgens het oude recht, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde en tot 1 februari 2008, bedroeg de vervolgingsverjaring voor overtredingen twee jaren (artikel 70 Sr. oud) te rekenen vanaf de dag na het begaan van die overtreding (artikel 71 Sr). Dat brengt met zich dat deze zaak volgens het oude recht was verjaard op 7 december 2009 hetgeen tot gevolg zou hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden verklaard in zijn vervolging.

Uitgaande van de sedert 1 februari 2008 geldende regelgeving is het recht tot vervolging tot op heden echter niet verjaard. De verjaringstermijn ingevolge deze regeling bedraagt immers drie jaren en is door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding -als daad van vervolging bedoeld in artikel 72 Sr- gestuit.

De vraag dient derhalve te worden beantwoord of in casu de vanaf 1 februari 2008 geldende wettekst van artikel 72 Sr al dan niet directe werking heeft en, in het verlengde daarvan, of het openbaar ministerie al dan niet niet-ontvankelijk is zijn vervolging.

Daarbij is van belang dat in de onderhavige situatie de verjaringstermijn volgens het oude recht nog niet was verstreken op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regeling.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot vervolging van de voorliggende overtreding van artikel 5 WVW 1994 niet was verjaard.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verjaring moet, (mede) gelet op de plaatsing van de bepalingen daaromtrent in het Wetboek van Strafrecht, tot het materiële recht worden gerekend (het hof sluit zich in dit verband aan bij de conclusie onder 10.4.5 van Knigge voor HR 12 juli 2011 BP6878, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis). Mede gelet op de wetssystematiek valt daarom niet in te zien dat aan het bepaalde in artikel 1, tweede lid Sr, betekenis zou moeten worden ontzegd ten aanzien van veranderingen in de verjaringstermijn.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat in de onderhavige situatie de voor de verdachte meest gunstige wettelijke bepaling dient te worden toegepast, te weten de tot 1 februari 2008 geldende tekst van artikel 70 Sr en op grond daarvan de conclusie moet worden getrokken dat thans sprake is van een voltooide verjaring.


Bespreking tegenargumenten en nadere motivering

Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest van 12 juli 2011 - evenals in zijn arrest van 29 januari 2010, BK 1998 - overwoog dat 'naar hedendaagse rechtsopvatting' een verandering van de verjaringsregeling geldt met onmiddellijke ingang.

In de eerste plaats niet omdat in deze arresten de Hoge Raad zijn argumentatie deed steunen op de Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (Stb. 2005,595). Hij wees in dat verband op de (gewijzigde) memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, waarin met betrekking tot de vervolgingsverjaring onder meer het volgende was opgenomen:

"Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (...) heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn van reeds gepleegde ernstige misdrijven wordt verlengd." Het hof is van oordeel dat uit deze passage niet in algemene zin kan worden afgeleid dat ook wijziging van de verjaringstermijn van overtredingen tot verlenging van een op het moment van die wijziging lopende verjaringstermijn kan leiden. Dat is van belang, nu het in casu om een overtreding gaat.

Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de regeling van de verjaring direct het legaliteitsbeginsel raakt: de punitieve bevoegdheden van de overheid worden met terugwerkende kracht ruimer. Een dergelijke uitbreiding behoeft daarom uitdrukkelijke legitimatie waarbij als uitgangspunt geldt dat de wetgever tijdens het wetgevingsproces duidelijk maakt op welke gevallen de nieuwe regeling van toepassing is. In het onderhavige geval is de verlenging van de verjaringstermijn bij overtredingen van twee naar drie jaren bij amendement van het tweede kamerlid Griffith (kamerstuk 29849, nummer 20) met algemene stemmen toegevoegd aan het hiervoor genoemde wetsontwerp, dat heeft geleid tot de Wet OM-afdoening.

Het voorgestelde amendement had tot doel de als te kort ervaren termijn voor het ten uitvoer leggen van straffen opgelegd voor overtredingen te verlengen en aldus de tenuitvoerlegging van de sancties veilig te stellen. Dit amendement heeft niet tot enige discussie tijdens het wetgevingsproces geleid. Of deze wetswijziging gevolgen had voor reeds lopende verjaringstermijnen is dan ook niet aan de orde geweest. Evenmin is in het wetsvoorstel een overgangsbepaling opgenomen. Het hof is dan ook van oordeel dat, nu terzake geen bijzondere voorziening is getroffen, artikel 1 lid 2 Sr van toepassing is en zal toepassing geven aan de voor de verdachte gunstigste regeling, te weten de 'oude' bepaling.


Slotsom

Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht meer had op het moment van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en dat de kantonrechter het openbaar ministerie ten onrechte in de vervolging heeft ontvangen. Dit leidt tot de slotsom dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Het hof passeert dan ook het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 416 lid 2 Sv en oordeelt op grond van het voorgaande dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging."

3 Toepasselijke wetsbepalingen

In cassatie zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 70 Sr, zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit:

"1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in twee jaren voor alle overtredingen;

(...)"
- art. 70 Sr, zoals dat luidt na de inwerkingtreding op 1 februari 2008 van de wet van 7 juli 2006, Stb. 330

(Wet OM-afdoening):

"1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in drie jaren voor alle overtredingen;

(...)"

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het tenlastegelegde feit is verjaard.

4.2.

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling in 2008.

4.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak – met inachtneming van deze uitspraak – op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.