Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1966

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12/02841
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BW6755, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1081
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2016:2429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Nijmeegse scooterzaak. Medeplegen. Het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken “van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het hotel door de politie betrapt voelden”. De vrijspraak van het medeplegen heeft het Hof vervolgens – nader gemotiveerd doch in de kern genomen – op die vaststelling gebaseerd. In een geval als i.c., waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – i.c.: i.h.k.v. het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politieauto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Wat betreft de mogelijke samenwerking bij het tlgd. medeplegen is bovendien in haar algemeenheid onjuist de opvatting van het Hof dat “om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is (…) vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn”. V.zv. het middel over deze tekortkomingen klaagt, is het terecht voorgesteld. Verwijzing naar het Hof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi AA20140841 met annotatie van N. Rozemond
RvdW 2014/117

Uitspraak

17 december 2013

Strafkamer

nr. 12/02841

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 mei 2012, nummer 21/004539-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk uitsluitend is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde - is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte, mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.

2.2.1.

Aan de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - tenlastegelegd dat:

"Feit 2 primair

hij op of omstreeks 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk een (gestolen/geheelde) motorfiets heeft/hebben bestuurd en/of op een (gestolen/geheelde) motorfiets hebben gereden, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren, dan wel het voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren van een voor het besturen van die motorfiets vereist rijbewijs, en/of met die (gestolen/geheelde) motorfiets over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, terwijl daarbij geen verlichting werd gevoerd en/of die motorfiets niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had/hadden waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen: 'politie' en/of een (qua aard en/of strekking soortgelijke) waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig aanwezige politieambtena(a)r(en) - had/hadden begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen, dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest/moesten brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdende personenauto, en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorfiets geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over de St. Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of met die motorfiets (met aanzienlijk snelheidsverschil) tussen en/of langs andere aldaar (langzamer) rijdende en/of stilstaande voertuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor de kruising (met de Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft/hebben genegeerd en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of (daarbij) een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats (zebrapad) over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met die motorfiets is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als verkeersdeelnemer(s), namelijk als berijder en/of medeberijder van een (gestolen/geheeld) motorrijtuig (motorfiets) daarmede roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren dan wel voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren van een voor het besturen van dat motorrijtuig (motorfiets) vereist rijbewijs, met dat (gestolen/geheelde) motorrijtuig (motorfiets) als berijder en/of als medeberijder over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, zonder daarbij verlichting te voeren en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had(den) waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen 'politie' en/of een qua aard en/of strekking soortgelijke waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig aanwezige politieambtenaar/naren - had(den) begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen) dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest(en) brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto) en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat rijdende ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein/die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de weg, de St. Canisiussingel, is/zijn opgereden en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de St. Canisiussingel, heeft/hebben gereden en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn/hun snelheid niet zodanig heeft/hebben geregeld dat hij, verdachte en/of zijn mededader in staat was/waren voormeld motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, die weg, de Canisiussingel, kon overzien en waarover deze vrij was en/of, gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of met aanzienlijk snelheidsverschil tussen en/of langs de op de rijstroken van die Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor die kruising en/of splitsing (Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor verdachte en/of zijn mededader geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn/hun rijrichting bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde [slachtoffer], en aldus zich zodanig heeft/hebben gedragen dat een aan verdachtes en/of verdachtes mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte dan wel en/of verdachtes mededader een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid, te weten de aldaar geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, in ernstige mate heeft/hebben overschreden, immers reed/reden hij verdachte en/of verdachtes mededader aldaar met een snelheid van 90 kilometer per uur;

Feit 2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als berijder, dan wel medeberijder van een motorrijtuig (motorfiets) daarmede over een trottoir van de weg, de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft gereden, waarbij geen verlichting werd gevoerd en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto) en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat rijdend ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft/hebben laten gaan en/of gekomen op dat Keizer Traianusplein, die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is opgereden en/of linksaf gaand de weg, de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de Sint Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of, gekomen ter hoogte van de kruising of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) tussen en/of langs de op de rijstroken van de door hem, verdachte bereden rijbaan van die Sint Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is/zijn (door)gereden en/of terwijl een/de voor die kruising/splitsing (Sint Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) in zijn, verdachtes rijrichting zich bevindende verkeerslicht(en), rood licht uitstraalde(n), die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen is/zijn met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Sint Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde [slachtoffer], door welke gedraging(en) van verdachte en/of verdachtes mededader gevaar op die weg/en werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd."

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Het Hof heeft daartoe het volgende vastgesteld en overwogen:

"Feitelijke situatie

Op 15 januari 2010, omstreeks 23.05 uur, rijden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op een motorscooter ter hoogte van het Belvoir hotel te Nijmegen. Zij zijn bezig met het voorbereiden van een gewapende overval op dit hotel dat is gelegen aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen. Bij het zien van een onopvallende politieauto geeft de bestuurder van de motorscooter gas en maakt snelheid waarna de motorscooter zich met hoge snelheid verwijdert van de locatie waar de politieauto zich bevindt, daarbij rijdend over het trottoir van de Graadt van Roggenstraat. Zonder te stoppen rijdt de motorscooter vervolgens van het trottoir af en steekt de Graadt van Roggenstraat over waarbij bijna een aanrijding ontstaat met een aldaar rijdende personenauto. Gekomen op het Keizer Traianusplein, een verkeersplein, rijdt de motorscooter tegen het verkeer in om linksaf de St. Canisiussingel op te rijden. Met aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorscooter geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur rijdt de motorscooter over de St. Canisiussingel waarbij tussen rijdende en/of stilstaande voertuigen wordt gereden. Op de kruising van de St. Canisiussingel met de Van der Brugghenstraat negeert de motorscooter een rood verkeerslicht en rijdt, zonder snelheid te minderen en tussen wachtende auto's door, de kruising op. Op die kruising rijdt de motorscooter, met daarop nog steeds verdachte en zijn medeverdachte, een overstekende voetganger aan. Het voetgangerslicht voor deze overstekende voetganger straalt op dat moment groen licht uit. De voetganger, [slachtoffer], is tengevolge van deze aanrijding overleden.

Aan verdachte is tenlastegelegd (kort gezegd):

- onder 2 primair: het medeplegen, althans plegen, van doodslag;

- onder 2 subsidiair: het medeplegen, althans plegen, van dood door schuld in het verkeer;

- onder 2 meer subsidiair: het medeplegen, althans plegen, van gevaarzetting op de weg.


Bestuurder

Het hof is van oordeel dat zowel voor het antwoord op de vraag of sprake is van medeplegen als voor het antwoord op de vraag of sprake is van plegen van een van de onder 2 tenlastegelegde gedragingen van belang is wie ten tijde van het feit de bestuurder was van de motorscooter.

Zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] ontkennen bestuurder te zijn geweest.

Naar het oordeel van het hof ontbreekt zowel technisch bewijs als betrouwbaar getuigenbewijs om te kunnen vaststellen wie van beide verdachten de bestuurder was

Er zijn getuigenverklaringen die in de richting van verdachte wijzen, maar om op grond van die verklaringen verdachte als bestuurder aan te merken zal selectief uit die verklaringen moeten worden geput en zullen andere onderdelen in diezelfde verklaringen als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt zonder dat daarvoor een goede grond bestaat.

Het hof wijst in dit verband bij wijze van voorbeeld op de volgende verklaringen.

Verdachte zelf heeft tegenover de politie opmerkingen gemaakt waaruit zou kunnen blijken dat hij de bestuurder van de scooter is geweest.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op dit punt als getuige tegenover de politie verklaard (zakelijk weergegeven):

"Na het ongeval zag ik een persoon op de grond liggen en een persoon liep een beetje te zwalken. Ik ben naar hem toegelopen. Ik hoorde dat het eerste wat die jongen zei was: 'Hij heeft gereden', waarbij hij naar de jongen wees die op de grond lag. Ik hoorde toen dat de jongen zei: 'Ik gaf gewoon gas'. Ik vroeg hem wat hij zei en hoorde hem nog een keer zeggen: 'Ik gaf gewoon gas'. Ik zei daarop tegen de jongen: 'Net zei je dat hij had gereden' en wees hierbij naar de jongen die op de grond lag. Ik hoorde de jongen toen zeggen: 'Ja, hij heeft ook gereden. Ik weet het allemaal ook niet meer. ik ben in de war'."

Los van het feit dat het hof deze verklaring van verdachte aanmerkt als volstrekt inconsistent, moet gelet op de Salduz-jurisprudentie deze verklaring van verdachte voor het bewijs worden uitgesloten.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2], die de DVD van het eerste verhoor van verdachte heeft bekeken wordt gerelateerd:

"De verdachte werd erop gewezen dat hij niet in de wij-vorm moest praten maar in de ik-vorm.

A: We reden op de weg, zei ik tegen jou. We reden de weg op. Bij het tweede stoplicht probeerde ik nog te remmen en toen maakten we dat ongeluk. Ik of hij dan.

V: Wat zeg je 'ik' of 'hij'?

A: Hij is toch de bestuurder. Ik zat achterop.

V: Waarom zeg je dan 'ik' en dan zeg je in één keer 'hij'?

A: Ik moest toch vanuit mezelf praten. Ik mocht toch niet met 'we' praten.

V: Maar dat doe je net de hele tijd wel en dan zeg je dat ik niet kan stoppen

A: Omdat hij dat zei.

V: Maar dan zeg je 'ik' dan zeg je 'hij'.

A: Omdat je net tegen mij zegt je moet."

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van deze verklaring van verdachte aangevoerd dat hij heeft geconstateerd dat afgezien van het feit dat men zijn cliënt toen preste om uitsluitend in de ik-vorm te spreken, hij naar mening van de raadsman het woord 'ik' niet heeft gebruikt in de hiervoor genoemde zinsnede 'probeerde ik nog te remmen'. De raadsman heeft aangevoerd dat door alsnog 'ik' op te nemen in het achteraf uitgewerkte proces-verbaal ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte een diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het hof is van oordeel dat, als verdachte al 'ik' heeft gezegd tijdens dit verhoor, uit de wijze van verhoor en de gang van zaken gedurende dit verhoor volgt, dat sprake is van een volstrekt inconsistente en niet betrouwbare verklaring die niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Getuige [getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard (zakelijk weergegeven)-

"Volgens mij droegen ze allebei een spijkerbroek, maar het kan zijn dat de achterste jongen een trainingsbroek droeg. Van de voorste weet ik zeker dat hij een spijkerbroek aan had."

Uit het dossier is gebleken dat verdachte een spijkerbroek aan heeft gehad ten tijde van het ongeval en dat medeverdachte [medeverdachte] op dat moment een trainingsbroek droeg.

Voorts heeft [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris - in strijd met haar eerdere verklaring tegenover de politie - verklaard (zakelijk weergegeven):

"Ik zag eerst een wat zwaardere jongen vallen en daarna die lichtere jongen. In mijn beleving reed die iets lichtere jongen. Ik dacht dat de wat lichtere jongen qua postuur reed. Hij had een spijkerbroek aan. De voorste jongen stond direct op en die andere jongen bleef liggen."

Dat medeverdachte [medeverdachte] de 'dikkere' persoon is geweest blijkt uit de foto's in het dossier, maar ook uit de beschrijvingen die verdachte en medeverdachte [medeverdachte] van zichzelf en elkaar hebben gegeven. Voorts is uit het dossier gebleken dat [medeverdachte] na het ongeval op de grond bleef liggen en verdachte is opgestaan.

Daarentegen heeft getuige [getuige 1] in het verhoor bij de politie - in strijd met haar verklaring zoals later afgelegd tegenover de rechter-commissaris - verklaard (zakelijk weergegeven):

"Ik zag dat de jongen met de lichte jas reed. Deze jongen was steviger dan de jongen die achterop zat, met de donkere jas. De jongen achterop was ook wel echt mager.

De voorste jongen was vetter. Ik zag dat de bijrijder opstond. Ik zag dat de bestuurder bleef liggen. Degene die opstond was de magere jongen. Ik kan u zeggen dat de bijrijder degene is die opstond. Ik zag dat de stevigere jongen voorop zat en de magere jongen achterop."

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden wie ten tijde van het feit de bestuurder is geweest van de motorscooter.


Medeplegen

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir Hotel door de politie betrapt voelden, is uit het dossier niets gebleken. Verdachten hadden tevoren enkel met elkaar afgesproken een overval te plegen op het Belvoir Hotel. Door het plotseling opduiken van de politie is het voornemen tot een overval niet tot uitvoering gekomen. Uit het dossier laat zich vaststellen dat de bestuurder van de motorscooter zich vanaf het moment van gewaarwording van de politie met hoge snelheid uit de voeten gemaakt heeft. De bijrijder zat achterop en hield zich vast. Van enig overleg of van bewuste samenwerking tussen bestuurder en bijrijder bij de vlucht voor de politie blijkt niets uit het dossier. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is voorts vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn. Tijdens de rit die uitmondde in de dodelijke aanrijding heeft de bijrijder naar het oordeel van het hof de scooter niet bestuurd en kan evenmin worden vastgesteld dat hij invloed heeft gehad op de wijze van rijden van de bestuurder. Van volstrekte inwisselbaarheid van de rollen van bestuurder en bijrijder is dan ook naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook op grond van het door de politie uitgevoerde technische onderzoek kan dit niet worden geconcludeerd. De conclusie in het proces-verbaal Rijproeven motorscooter, gedateerd 24 januari 2010, inhoudende dat:

- de motorscooter reageert op bewegingen van de duopassagier;

- door druk uit te oefenen op de voetstep van de duopassagier de rijrichting van de motorscooter kan worden beïnvloed;

- het voor de duopassagier mogelijk is om de beide remhendels van de motorscooter te bedienen en de reminrichtingen in werking kunnen worden gesteld;

is daarvoor onvoldoende, nu dit onderzoek in verband met de veiligheid is uitgevoerd met een snelheid van slechts 20 kilometer per uur en de motorscooter in de onderhavige zaak aanzienlijk harder, 80 à 90 kilometer per uur, heeft gereden. Bovendien gaat het om drie theoretische mogelijkheden, waarvan op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet vastgesteld kan worden dat zij zich hebben voorgedaan.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in de passiviteit van de bijrijder geen actieve bijdrage aan de uitvoering van de vlucht voor de politie dan wel instemming van de bijrijder met het gevaarlijke rijgedrag van de bestuurder op grond waarvan sprake zou zijn van medeplegen.

Op grond van het voorgaande kan medeplegen niet worden bewezenverklaard.


Plegen

Nu het hof niet kan vaststellen dat het verdachte is die heeft gereden, kan ook het tenlastegelegde plegen niet bewezen worden verklaard.

Vrijspraak

Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte bij gebrek aan het voor een bewezenverklaring vereiste wettige en overtuigende bewijs moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof komt eveneens tot vrijspraak van medeverdachte [medeverdachte] op deze punten. Het hof realiseert zich dat deze vrijspraken in de samenleving in het algemeen en bij de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer] in het bijzonder onbegrip en verontwaardiging kunnen oproepen. De vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] wordt immers niet beantwoord en die verantwoordelijke wordt niet bestraft. Ook het hof vindt dit een onbevredigende uitkomst. Een aanrijding waarbij een dode te betreuren valt, is een ernstig feit waarbij de precieze toedracht zo enigszins mogelijk dient te worden vastgesteld. In deze zaak, waar het dan ook nog eens gaat om verdachten die op de vlucht zijn voor de politie, blijft een deel van die toedracht, namelijk wie er heeft gereden, onduidelijk. Dit is een slecht te verteren uitkomst, temeer omdat vaststaat dan één van de twee verdachten de bestuurder is geweest en de beide verdachten weten wie van hen beiden dit is geweest en één van de twee daarover dus liegt. Hierbij dient ook nog het volgende te worden bedacht. Ingevolge artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht worden als daders gestraft zij die het feit medeplegen. Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers. Indien op grond van de drie hiervoor genoemde mogelijkheden uit het proces-verbaal Rijproeven motorscooter zonder meer aangenomen zou moeten worden dat degene die achterop een tweewielig motorrijtuig zit medepleger is van de wijze van rijden door de bestuurder en de gevolgen daarvan, wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die passagier onaanvaardbaar opgerekt. Een bewezenverklaring van medeplegen zou dan immers betekenen dat die passagier louter op grond van die mogelijkheden in gelijke mate strafrechtelijk aansprakelijk is voor de wijze van rijden en de gevolgen daarvan als de bestuurder. Dat gaat naar het oordeel van het hof te ver. De omschrijving van gedragingen in het Wetboek van Strafrecht strekt er niet alleen toe om nauwkeurig aan te geven wanneer strafrechtelijke aansprakelijkheid gevestigd wordt, maar ook om duidelijk te maken wanneer gedragingen niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden en overheidsbemoeienis in de vorm van opsporing en vervolging dus niet gerechtvaardigd is.

Dat de verdachten op pad waren met de bedoeling om een overval op het Belvoir Hotel te plegen en er vervolgens voor de politie vandoor gingen, en dus in de ogen van sommigen toch al "criminelen" zijn, maakt dit niet anders."

2.3.1.

Het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken "van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir hotel door de politie betrapt voelden". De vrijspraak van het medeplegen heeft het Hof vervolgens – nader gemotiveerd doch in de kern genomen – op die vaststelling gebaseerd.

2.3.2.

In een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan.

2.3.3.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politie-auto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

2.3.4.

Wat betreft de mogelijke samenwerking bij het tenlastegelegde medeplegen is bovendien in haar algemeenheid onjuist de opvatting van het Hof dat "om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is (...) vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn".

2.4.

Voor zover het middel over deze tekortkomingen klaagt, is het terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.