Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1756

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12/04347
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1798, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht. Het “oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” van geld of goederen kan, mede tegen de achtergrond van hetgeen ttz. in h.b. door of namens verdachte is aangevoerd, niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/62

Uitspraak

10 december 2013

Strafkamer

nr. 12/04347

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 juni 2012, nummer 22/003070-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet naar behoren met redenen is omkleed.

2.2.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 07 juli 2009 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een kantoorpand gelegen aan de [a-straat 1] aldaar weg te nemen geld of goederen, toebehorende aan [betrokkene], en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en dat weg te nemen geld of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking en inklimming, een ruit heeft verbroken en vervolgens naar binnen is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.3.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"9. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 juli 2009 van de politie Hollands Midden met nr. 2009223331-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 97 tot en met 99):

als de op 8 juli 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Ik doe aangifte van bedrijfsinbraak in een pand waar ik eigenaar van ben. Ik ben eigenaar van een pand gelegen aan de [betrokkene] te Gouda. Op 1 juli 2009 is dit pand na een uitzetting afgesloten.

Gistermiddag op 7 juli 2009 werd ik gebeld door de uitbater van het pand ernaast en werd mij verteld dat 'ze' in mijn pand waren geweest en dat de politie 'ze' had meegenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

10. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 juli 2009 van de politie Hollands Midden met nr. 2009223331-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 82 tot en met 84):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 7 juli 2009, omstreeks 04.25 uur, werd er via de meldkamer gemeld dat er glasgerinkel was gehoord bij het pand aan de [a-straat 1] te Gouda.

Hierop ben ik, verbalisant [verbalisant 1], ter plaatse gegaan met meerdere collega's.

Op het moment dat ik met andere collega's ter plaatse kwam, stuurde de melder ons naar de achterzijde van de [a-straat 1].

Vanaf de achterzijde hoorde ik glasgerinkel en zag collega [verbalisant 2] een manspersoon op de eerste verdieping door een ingeslagen raam naar binnen klimmen. Tijdens het wachten op de brandweer is de verdachte door mij, verbalisant [verbalisant 1], nog in het pand gezien. Ook hoorde ik meerdere malen breek geluiden uit het pand komen.

Op 7 juli 2009, omstreeks 05.49 uur, hielden wij, verbalisanten op de [a-straat 1] te Gouda als verdachte aan:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1972.

11. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2012 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik ben op 7 juli 2009 's nachts omstreeks 04.25 uur het pand aan [a-straat 1] te Gouda ingegaan.

12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 juli 2009 van de politie Hollands Midden met nr. 2009223331-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 93 tot en met 96):

als de op 7 juli 2009 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik ben vannacht een pand binnen gegaan. Ik zag dat er op een verdieping een raampje kapot was. Ik heb de rest van het glas weggehaald en ben naar binnen geklommen."

2.3.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte zijn woonruimte op korte termijn kwijt zou raken en daarom slechts van plan was het pand te kraken en bij hem derhalve niet het oogmerk aanwezig was daar goederen weg te nemen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier stelt het hof het volgende vast. Blijkens het bij ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van aanhouding nr. 2009223331-2 d.d. 7 juli 2009 heeft een van de verbalisanten omstreeks 04.25 uur 's nachts, nadat zij glasgerinkel had gehoord, een man op de eerste verdieping door een kapot raam een pand gelegen aan de [a-straat 1] te Gouda naar binnen zien klimmen. Vervolgens hoorde één van de verbalisanten, terwijl men op de brandweer stond te wachten, meerdere malen breek geluiden uit het pand komen.

Naar het oordeel van het hof dient, gelet op het voorgaande, het er voor gehouden te worden dat de verdachte wel degelijk het pand is ingegaan om geld of goederen weg te nemen. Het ligt immers niet in de rede dat men, als het enkel om kraken te doen is, eenmaal binnengedrongen braak en/of verbrekingen pleegt als waarop de waargenomen breekgeluiden betrekking zullen hebben gehad.

Het hof verwerpt derhalve het verweer."

2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik ontken het onder 3 ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

Ik ben op 7 juli 2009 's nachts omstreeks 04.25 uur het pand aan [a-straat 1] te Gouda ingegaan.

Dit was vroeger een horecagelegenheid en in dit pand stond op dat moment leeg. In het pand stond alleen nog de bar en er lag laminaat op de grond. Ik wilde het pand kraken.

Voordat ik het pand was ingegaan, heb ik naast het pand in een café wat zitten drinken. Nadat het café ging sluiten, ben ik naar het pand gelopen en ben ik naar binnen gegaan. Op 7 juli 2009 had ik nog wel een woning, echter daar moest ik binnen 1 à 2 maanden uit. Daarom besloot ik het pand aan de [a-straat 1] te gaan kraken. In het pand was op 7 juli 2009 niets te halen."

2.5.

Aangezien de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover inhoudende het "oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening" van geld of goederen, mede tegen de achtergrond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte is aangevoerd, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.6.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2013.