Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1755

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12/03120
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7090, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1787, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel dat de voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard niet toereikend gemotiveerd. De door het Hof vastgestelde gang van zaken die heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, laat de reële mogelijkheid open dat sprake was van een spontaan ontstane ruzie over drugs, welke ruzie in korte tijd escaleerde, waarbij het besluit tot levensberoving eerst in een latere fase is genomen, terwijl in dat verband ook niet duidelijk is in welke zin het Hof betekenis heeft toegekend aan de door hem genoemde tijdspanne tussen de twee schoten. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/33 met annotatie van mr. dr. J.S. Nan
RvdW 2014/410

Uitspraak

10 december 2013

Strafkamer

nr. 12/03120

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 mei 2012, nummer 21/001789-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 in de zaak met parketnummer 16/711030-08, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 16/711030-08 onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 13 januari 2008 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [betrokkene 1] geschoten, ten gevolge waarvan [betrokkene 1] is overleden."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Bewijsoverzicht

Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [betrokkene 1].

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [betrokkene 1]. Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding. Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linkerschouderblad. Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.

Van het incident zijn verscheidene mensen getuige geweest.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en dat hij ruzie hoorde maken. Het geschreeuw kwam van de Cervanteslaan op de hoek met de Dickenslaan te Utrecht. Hij zag dat één persoon de Dickenslaan inliep en dat anderen achter diegene aan liepen. Even later hoorde hij een knal. Na dit schot hoorde hij roepen: "Nee, nee, niet doen." De getuige hoorde aan het stemgeluid dat de persoon als het ware smeekte om het niet te doen. Hierna hoorde de getuige weer een knal. Na het tweede schot renden twee personen weg over de Cervanteslaan. De getuige zag dat zij in een personenauto stapten die ongeveer 20 à 30 meter van de hoek Cervanteslaan/Dickenslaan stond geparkeerd.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij aan het tennissen was toen twee mannen, die ook aan het tennissen waren, zeiden dat er werd geschoten. Direct hierna hoorde zij iemand roepen dat hij was geraakt. Kort hierop hoorde zij een knal. Later realiseerde ze zich dat ze al eerder een knal had gehoord, maar dat ze toen dacht dat het vuurwerk was.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij vier mannen zag die ruzie aan het maken waren. Eén van de mannen rende al snel weg. Daarna waren ze met zijn drieën. De getuige zag dat twee van de mannen de derde man schopten. Deze derde persoon lag op de grond. Hij lag op de plaats waar hij later was neergeschoten. Terwijl hij werd geslagen, hoorde ze een paar keer: "sleutel". De getuige heeft gehoord dat er werd geschoten.

De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij vanuit een woning gelegen aan de Dickenslaan twee knallen hoorde. Hij keek door het raam naar buiten en zag op de hoek van de Cervanteslaan met de Dickenslaan een man op de grond liggen. Bij de man stonden twee personen. De ene persoon stond ter hoogte van het middel van de liggende man. Deze persoon had een voorwerp in zijn rechterhand dat eruit zag als een pistool. Hij hield zijn rechterarm gestrekt richting het lichaam van de liggende man, ter hoogte van diens borst of hoofd. De andere persoon stond ter hoogte van de rechterschouder van het slachtoffer.

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij zich in zijn woning gelegen aan de Dickenslaan bevond toen hij door het raam zag dat twee personen inschopten op een persoon die op de grond lag. De getuige heeft twee schoten gehoord.

De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij in haar woning gelegen aan de Dickenslaan televisie zat te kijken toen het klonk alsof er mensen aan het rennen waren. Vervolgens hoorde zij geschreeuw. Door het raam zag zij dat er buiten op straat een man op de grond lag. Vlakbij de man stonden twee andere mannen. Eén man stond ter hoogte van het hoofd van de man die op de grond lag. De andere man stond ter hoogte van het middel van de liggende man. De liggende man werd geschopt. Eén van de mannen boog zich voorover over het bovenlichaam van het op de grond liggende slachtoffer. Daarna hoorde de getuige een soort plof of plop of tok geluid.

De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "[A]" aan de Vleutenseweg samen met [betrokkene 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [betrokkene 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [betrokkene 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin. [betrokkene 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de Cervanteslaan 26/28. [betrokkene 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles" [betrokkene 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [betrokkene 1]. De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [betrokkene 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 7] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 7] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [betrokkene 1]. De afspraak ging over cocaïne. [medeverdachte] is samen met verdachte naar Utrecht gereden. [medeverdachte] en [betrokkene 1] hebben elkaar bij theehuis [A] getroffen. [betrokkene 1] had iemand bij zich. [betrokkene 1] ging achter [medeverdachte] in de auto zitten. De andere persoon ging achter verdachte zitten. [betrokkene 1] zei waar [medeverdachte] heen moest rijden. Ze stopten ergens. [betrokkene 1] zei dat [medeverdachte] even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [betrokkene 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 7] achter [medeverdachte]. [betrokkene 1] vroeg [medeverdachte] weg te rijden en rechtsaf te slaan. [medeverdachte] parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [betrokkene 1] haalde het zakje coke te voorschijn en gaf het aan [medeverdachte]. [medeverdachte] keek ernaar en hij rook eraan. [medeverdachte] zei tegen [betrokkene 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [betrokkene 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg [medeverdachte] of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos.

[getuige 7] rende weg. [medeverdachte] is als tweede uit de auto gestapt. Vanonder de stoel pakte [medeverdachte] zijn eigen vuurwapen. [betrokkene 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [betrokkene 1] buiten de auto op de stoep. [medeverdachte] is op hem gesprongen, omdat hij de sleutels terug wilde hebben en [betrokkene 1] die niet terug wilde geven. [medeverdachte] heeft [betrokkene 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. [medeverdachte] hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte], verdachte en [betrokkene 1]. Op een gegeven moment, toen [medeverdachte] het schot hoorde, lag [betrokkene 1] op de grond. [medeverdachte] heeft de autosleutels gepakt toen [betrokkene 1] op de grond lag. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 9] gegaan. Daar heeft [medeverdachte] gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten.

De verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte]) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met [medeverdachte] is meegereden naar Utrecht. [medeverdachte] en [betrokkene 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop [A] en verdachte is meegegaan. [medeverdachte] zat op de bestuurdersstoel en verdachte op de bijrijdersstoel. [betrokkene 1] ging achter [medeverdachte] zitten en [getuige 7] achter verdachte. Ze zijn vervolgens naar het huis van [betrokkene 1] gereden. [medeverdachte] reed. Toen ze bij het huis van [betrokkene 1] aankwamen, is [betrokkene 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [betrokkene 1] weer ingestapt. Toen zat [betrokkene 1] achter verdachte en [getuige 7] achter [medeverdachte]. Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [betrokkene 1] is een gesprek gestart met [medeverdachte] over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan [medeverdachte]. [medeverdachte] rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 7] is uit de auto gestapt en weggerend. Op een gegeven moment hoorde verdachte [medeverdachte] zeggen dat [betrokkene 1] de autosleutel had. Op enig moment zijn [medeverdachte], verdachte en [betrokkene 1] uit de auto gestapt. Verdachte had toen een vuurwapen vast. [medeverdachte] liep naar [betrokkene 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat verdachte vasthield, is afgegaan. [medeverdachte] had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] de sleutel te pakken gekregen. Verdachte en [medeverdachte] zijn in de auto gestapt en weggereden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd en nader aangevuld. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.

Bij een doorzoeking van de woning in Hoogvliet waar [medeverdachte] destijds verbleef, is op 16 april 2008 een vuurwapen van het merk Pietro Beretta aangetroffen. De getuige [getuige 8] heeft verklaard dat dit vuurwapen van haar vriend [medeverdachte] is.

Op 2 april 2008 is in het kader van een onderzoek tegen [betrokkene 2] in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen van het merk Zastava aangetroffen. Met dit wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd. Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 zijn aangetroffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [betrokkene 2] in beslag genomen vuurwapen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekocht van ene [betrokkene 3]. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dit wapen op 13 januari 2008 uit de auto heeft gepakt en dat hij dit wapen later, in het bijzijn van [medeverdachte], aan [betrokkene 3] heeft overgedragen.

Door het NFI is onderzocht of de bij [betrokkene 1] geconstateerde hoofdletsels (nader aangeduid met letsels G, H, I en K) veroorzaakt kunnen zijn door het slaan met een van de genoemde vuurwapens. Het NFI heeft geconcludeerd dat letsel G kan zijn opgeleverd door slaan of stoten met een puntig deel van één van beide wapens. De letsels H en I kunnen zijn opgeleverd door slaan of stoten met de uitstekende rand aan de voorzijde van de patroonhouder van het wapen Zastava en het letsel K kan worden toegeschreven aan met kracht slaan of stoten met de onderzijde van de kolf van hetzelfde wapen.

De politie heeft een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige 8], afgeluisterd op 10 juni 2008. [medeverdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

"Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toegegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man... weet je wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weetje wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien... Eindstand: we willen vechten., die man wil de sleutel niet loslaten broeder..."

Overwegingen

De getuige [getuige 7] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: [medeverdachte]) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. [medeverdachte] zou dit wapen vervolgens op [getuige 7] en [betrokkene 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [betrokkene 1] geen wapen bij zich. Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven. [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [betrokkene 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van de verdachte en [medeverdachte]. Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 7].

De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [betrokkene 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [betrokkene 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [betrokkene 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer.

Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige 8], afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:

"de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten."

Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [betrokkene 1] het wapen van [medeverdachte] of verdachte probeerde af te pakken.

Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [betrokkene 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- Op enig moment waren [medeverdachte], verdachte en [betrokkene 1] uit de auto.

- [medeverdachte] en verdachte hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast en [betrokkene 1] had op dat moment geen vuurwapen (evt.: meer) in zijn handen.

- [betrokkene 1] is vervolgens weggelopen.

- [medeverdachte] en verdachte hebben [betrokkene 1] gewapend achtervolgd.

- [medeverdachte] is op [betrokkene 1] gesprongen.

- [medeverdachte] en verdachte hebben [betrokkene 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

- [betrokkene 1] is op de grond terechtgekomen.

- [medeverdachte] en verdachte hebben [betrokkene 1] geschopt, terwijl [betrokkene 1] op de grond lag.

- Verdachte heeft op [betrokkene 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- [betrokkene 1] heeft geroepen "nee nee niet doen" en dat hij was geraakt.

- Verdachte heeft nogmaals op [betrokkene 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- Verdachte heeft met gestrekte arm geschoten.

- Op het moment dat verdachte schoot, lag [betrokkene 1] op de grond en stonden verdachte en [medeverdachte] naast hem.

- [betrokkene 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.

- [betrokkene 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. De verdachte heeft [betrokkene 1] door middel van een opgezet schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [betrokkene 1] te doden.

Door de verdediging is nog het verweer gevoerd dat de hiervoor genoemde verklaringen van de getuigen plaats delict niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs nu deze verklaringen onderling op cruciale punten verschillen. Het hof verwerpt dit verweer nu de getuigen plaats delict in hoofdlijnen consistent hebben verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen. Nu het gaat om niet bij het feit betrokken ooggetuigen heeft het hof ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen zij hebben waargenomen. Dat de verklaringen op details van elkaar verschillen, maakt dit niet anders. Het ter zake gevoerde verweer wordt verworpen.

Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte]. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door [medeverdachte] geregelde ontmoeting met [betrokkene 1] over drugs. [medeverdachte] had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken. [medeverdachte] en verdachte hebben beiden bewapend [betrokkene 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat verdachte schoot, stond [medeverdachte] erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [betrokkene 1] is neergeschoten, hebben verdachte en [medeverdachte] alsnog de autosleutels afgepakt en zijn zij naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.

Voor het aannemen van voorbedachte raad is naar vaste jurisprudentie voldoende dat komt vast te staan dat de dader de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat - objectief gezien - gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het voorgaande volgt dat dat in deze zaak het geval is geweest. Het hof doelt daarbij in het bijzonder op de achtervolging door de gewapende verdachten van de onbewapende [betrokkene 1] vanaf de plaats waar de auto is geparkeerd tot aan de plaats waar op [betrokkene 1] is geschoten, op de verschillende vormen van fysiek geweld die de verdachte en [medeverdachte] hebben gebruikt en op de tijd die tussen de twee schoten heeft gezeten. Daarnaast is vastgesteld dat er door verdachte is geschoten met gestrekte arm met 0 cm afstand. Deze gedragingen duiden er niet op dat verdachten hebben gehandeld in paniek of een andere plotselinge gemoedsbeweging; zij duiden veeleer op een weloverwogen optreden. Daarmee kan bewezen worden dat verdachte en [medeverdachte] hebben gehandeld met voorbedachte raad."

2.3.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.)

2.4.

Tegen de achtergrond van het voorafgaande heeft het Hof zijn oordeel dat de voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in het bijzonder in aanmerking dat de door het Hof vastgestelde gang van zaken die heeft geleid tot de dood van [betrokkene 1], de reële mogelijkheid open laat dat sprake was van een spontaan ontstane ruzie over drugs, welke ruzie in korte tijd - en mede als gevolg van de voor de verdachte onverwachte omstandigheden dat [betrokkene 1] als eerste een vuurwapen toonde en vervolgens de autosleutel van de auto waarin de verdachte en zijn medeverdachte waren gekomen, wegnam en de auto verliet - escaleerde, waarbij het besluit tot levensberoving eerst in een latere fase is genomen, terwijl in dat verband ook niet duidelijk is in welke zin het Hof betekenis heeft toegekend aan de door hem genoemde tijdspanne tussen de twee schoten.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige namens de verdachte voorgestelde middelen en de schriftuur van de benadeelde partij geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/711030-08 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2013.