Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1736

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
13/00048
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1756, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag. Verschoningsrecht, medisch beroepsgeheim. 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263. Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de Rb heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af. 2. Het oordeel van de Rb dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een inbreuk op het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen is niet onbegrijpelijk, onder meer gelet op het feit dat de Rb onder meer heeft geoordeeld dat zij het, gelet op de beperktheid van de voor haar beschikbare informatie, niet mogelijk achtte een oordeel te geven over de vraag of de gegevens op een andere, minder ingrijpende wijze hadden kunnen worden verkregen en dat zij van de ovj geen bevredigend antwoord had gekregen op haar in dat verband gestelde vragen. De opvatting dat in de afweging of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden geen beslissende betekenis mag worden toegekend aan de omstandigheid dat de gevorderde gegevens ook zonder doorbreking van het verschoningsrecht zouden kunnen worden verkregen, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126nd
Wetboek van Strafvordering 126nf
Wetboek van Strafvordering 218
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/17
GJ 2014/34 met annotatie van prof. mr. T.M. Schalken
RvdW 2014/45
NJ 2014/94

Uitspraak

10 december 2013

Strafkamer

nr. 13/00048 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Maastricht van 17 februari 2012, nummer RK 11/710, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] .

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft het door de klager op de voet van art. 552a Sv gedane beklag gegrond verklaard en de teruggave gelast van het inbeslaggenomene, te weten een gesloten envelop houdende informatie ten aanzien van verlofgegevens van een (mogelijke) patiënt van de Stichting Mondriaan te Heerlen. Daartoe heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"De vaststaande feiten

Door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank is, op vordering van de officier van justitie, op 8 september 2011 een machtiging tot het vorderen van gevoelige gegevens (art. 126nf Sv.) betreffende [betrokkene] verleend, welke gegevens berusten bij de Forensische psychiatrische afdeling van de Mondriaan te Heerlen.

De gevorderde gegevens betreffen de vragen;

- of vernoemde [betrokkene] tijdens zijn verblijf op de Forensische psychiatrische afdeling bij Mondriaan van 12 januari 2010 tot en met 17 juli 2010 verlof heeft gehad;

- of dit verlof al dan niet onder begeleiding is geweest;

- of [betrokkene] de mogelijkheid heeft gehad elders te verblijven dan op de Forensische psychiatrische afdeling gedurende deze periode.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen inzake de verstrekking van gegevens door Mondriaan Zorggroep ex art. 126nf Sv, op 2 november 2011 opgemaakt door eerder genoemde rechter-commissaris, zijn de gevorderde gegevens in een gesloten envelop aan de rechter-commissaris overhandigd en wordt deze envelop in de kluis van de rechter-commissaris bewaard in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

Het standpunt van klager

Door klager is gesteld dat de gevorderde verlofgegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim. In de visie van klager kan daar, naar vaste jurisprudentie, alleen inbreuk op worden gemaakt, als er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Daarvan is in de visie van klager niet gebleken. De raadsman heeft dan ook verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en de teruggave te gelasten van de in beslag genomen envelop met gegevens.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Primair heeft zij aangevoerd dat de gevorderde verlofgegevens niet onder het medische beroepsgeheim vallen. Indien zulks wel het geval mocht zijn, dan is er in deze zaak sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De heer [betrokkene] wordt verdacht van zeer ernstige zedendelicten met een geweldspatroon. In verband met deze verdenking zijn kinderen gehoord in de speciale verhoorstudio. Er zijn, volgens de officier van justitie, geen andere mogelijkheden om de benodigde informatie te verkrijgen. Verder is door de officier van justitie nog gesteld dat klager de gevorderde informatie had moeten overhandigen, nu er door de rechter-commissaris op 8 september 2011 een machtiging daartoe is verstrekt.

Het oordeel van de rechtbank

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de gevorderde verlofgegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim. Deze vraag beantwoordt de rechtbank zonder meer bevestigend. De rechtbank is van oordeel is dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt.

(De Hoge Raad leest: De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of zich in verband met de gegevensvordering) omstandigheden voordoen die een doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De rechtbank heeft pas bij gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift op 3 februari 2012 kennis kunnen nemen van het proces-verbaal van politie d.d. 8 september 2011 betreffende de aanvraag vordering verstrekking gevoelige gegevens. In dit proces-verbaal wordt enkel vermeld dat er aangifte is gedaan ter zake van seksueel misbruik van een minderjarige, gepleegd door [betrokkene]. Dit zou (onder meer) hebben plaats gevonden gedurende de periode dat [betrokkene] opgenomen zou zijn geweest in de inrichting waarvan klager geneesheer-directeur is. De officier van justitie heeft bij de behandeling in raadkamer nog een summiere toelichting gegeven op dit proces-verbaal, inhoudende dat de heer [betrokkene] wordt verdacht van zeer ernstige zedendelicten met een geweldspatroon, dat in het kader van die verdenking kinderen zijn gehoord in de speciale verhoorstudio en dat de benodigde informatie niet op andere wijze kan worden verkregen. Ook heeft zij op vragen van de rechtbank aangegeven dat deze persoon zelf nog niet weet verdacht te zijn van deze feiten en (dus) zelf ook nog niet is gehoord over deze verdenking.

Naar het oordeel van de rechtbank kan er op grond van de door de officier van justitie verstrekte informatie niet gesproken worden van uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen. Het is voor de rechtbank op basis van de thans beschikbare informatie niet mogelijk om een oordeel te geven over de vraag of de gewenste informatie over [betrokkene] niet ook op een andere, minder ingrijpende, wijze had kunnen worden verkregen. Dit is één van de criteria die volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad getoetst moet worden om te kunnen beoordelen of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk op het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen.

Het is de rechtbank met name niet duidelijk geworden waarom het niet mogelijk is [betrokkene], tegen wie kennelijk een voldoende verdenking in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering bestaat, aan te houden en te verhoren en hem daarbij de vraag voor te leggen of hij van 12 januari 2010 tot en met 17 juli 2010 op de Forensische psychiatrische afdeling bij Mondriaan verbleef en zo ja, of hij in die periode (onbegeleid) verlof heeft gehad. De officier van justitie heeft hier desgevraagd geen bevredigend antwoord op kunnen geven, anders dan dat dit 'in het belang van het opsporingsonderzoek' nog niet gebeurd is.

De omstandigheid dat door de rechter-commissaris op 8 september 2011 een machtiging tot vorderen van gevoelige gegevens (art. 126nf Sv) is verleend, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank is immers gehouden in het kader van deze beklagprocedure een zelfstandig oordeel te geven over de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het klaagschrift dan ook gegrond en zal een daarbij behorende last tot teruggave geven."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank het oordeel dat de gevorderde verlofgegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen, ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tot personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv een vordering als bedoeld in art. 126nf in verbinding met art. 126nd, tweede lid derde volzin, Sv kan worden gericht, maar dat zij niet verplicht zijn aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. De beslissing van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, zal door de rechter in beginsel dienen te worden geëerbiedigd. In beginsel, omdat de rechter een marginale toetsing toekomt ten aanzien van het standpunt van de arts dat het gaat om onder het verschoningsrecht vallende gegevens. Indien de rechter oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dat standpunt onjuist is, zal hij de beslissing van de arts om de gegevens niet te verstrekken, terzijde kunnen stellen. Dat laatste geldt ook indien naar het oordeel van de rechter sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat, hoewel het gaat om gegevens die object zijn van de aan de arts toekomende bevoegdheid tot verschoning, het verschoningsrecht moet worden doorbroken (vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263).

3.3.

Het oordeel van de Rechtbank dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De in de toelichting op het middel genoemde omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van de klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af.

3.4.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een inbreuk op het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen.

4.2.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat in de afweging of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor onder 3.2 bedoeld geen beslissende betekenis mag worden toegekend aan de omstandigheid dat de gevorderde gegevens ook zonder doorbreking van het verschoningsrecht zouden kunnen worden verkregen, faalt het. Die opvatting vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.

4.3.

Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is, kan het evenmin tot cassatie leiden, mede in aanmerking genomen dat de Rechtbank onder meer heeft geoordeeld dat zij het, gelet op de beperktheid van de voor haar beschikbare informatie, niet mogelijk achtte een oordeel te geven over de vraag of de gegevens op een andere, minder ingrijpende wijze hadden kunnen worden verkregen en dat zij van de Officier van Justitie geen bevredigend antwoord had gekregen op de door haar in dat verband gestelde vragen.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsherenJ. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2013.