Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1564

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
13/00195
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW5109, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1353, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. OM-cassatie. Elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten. Uitleg begrip ‘afvalstoffen’ in de zin van de EG-verordening nr 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en de Wet milieubeheer. Verhouding Richtlijn 2006/12/EG (PbEG L 114) en Richtlijn 2008/98/EG (PbEU2008, L 312) betreffende afvalstoffen. Richtlijn 2008/98/EG beoogt een verduidelijking te geven van hetgeen t.a.v. het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt i.h.b. de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). De HR vernietigt de bestreden uitspraak, nu het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste, want te beperkte uitleg van het begrip ‘afvalstof’ in de zin van art. 1.1.a. Richtlijn 2006/12/EG en voorts is diens oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/402 met annotatie van Van der Meijden
NBSTRAF 2014/15
JM 2014/15 met annotatie van T. van der Meulen
Milieurecht Totaal 2014/3737
RvdW 2014/31
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3216
NJB 2014/16
M en R 2014/43

Uitspraak

3 december 2013

Strafkamer

nr. 13/00195

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, Economische Kamer, van 20 april 2012, nummer 22/002092-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats].

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman van de verdachte, mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging bedoelde elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen.

2.2.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"1. zij in of omstreeks de periode van 12 juni 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s) doende een container ([001]) waarvan de inhoud bestond uit elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten die (deels) niet meer functioneerden en waarvan de houder(s) zich had(den) ontdaan, te weten (onder meer) friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval elektronische restanten als genoemd onder code GC020 van Bijlage III van voornoemde verordening, over te brengen van Nederland naar Kameroen, terwijl die overbrenging geschiedde zonder een voorafgaande kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;

2. zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam en/of te Oldenzaal, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, huishoudelijke apparaten waarvan de houder (s) zich had(den) ontdaan en die (deels) niet meer functioneerden, te weten onder meer friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval bedrijfsafvalstoffen, heeft verhandeld, zonder vermelding als handelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars."


2.3. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten en daartoe het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de inhoud van de in de tenlastelegging bedoelde container niet kan worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de Wet Milieubeheer en de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA).

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, overweegt het hof dienaangaande het volgende:

Voor de omschrijving van hetgeen wordt bedoeld met 'afvalstoffen' - in de zin van de EVOA en de Wet Milieubeheer - wordt in artikel 2 van de EVOA verwezen naar de omschrijving in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG. Daarin wordt bepaald: 'afvalstof': elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (zie thans: artikel 3, aanhef en onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG).

Het antwoord op de vraag of sprake is van afvalstof in de zin van genoemde regelgeving hangt vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de term 'zich ontdoen van' en moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden. Daarbij moet de uitleg plaatsvinden tegen de achtergrond van enerzijds het hoofddoel van de EVOA en aanverwante regelgeving, namelijk de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen de schadelijke invloeden van het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en anderzijds artikel 174, tweede lid, van het EG Verdrag, thans: artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volgens hetwelk de Gemeenschap in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, waarbij dit beleid berust op onder meer het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden.

Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de bewuste container huishoudelijke apparaten bevatte die door consumenten (al dan niet onder de garantieregeling) bij. de leveranciers (detaillisten) waren teruggebracht omdat ze niet bevielen of een klein mankement hadden en voorts restanten van verkoopassortimenten die de detaillisten uit de winkel haalden. De vertegenwoordiger heeft verklaard dat de container voor zestig procent gevuld was met nieuwe artikelen en dat van de overige veertig procent een grote hoeveelheid na een kleine aanpassing weer goed bruikbaar was. Hieruit leidt het hof af dat de onderhavige container gevuld was met nieuwe en nagenoeg nieuwe artikelen. Dit blijkt ook uit de bevindingen van de buitengewoon opsporingsambtenaar

[verbalisant 1]. In haar ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van overdracht, d.d. 17 juli 2009, staat dat zij de container [001] op 22 juni 2009 heeft bekeken samen met de inspecteur van de VROM-inspectie Zuid-West, [verbalisant 2]. Uit haar verklaring daarover blijkt dat de container was beladen met dozen met koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, waarbij de meeste van deze goederen waren voorzien van de originele verpakking. Op een aantal dozen waren stickers bevestigd met de volgende opmerkingen: "defect", "wijzer kapot", "defect, blijft hangen op de 8", "bakje batterij stuk". De tweeëntwintig apparaten die zijn getest op hun werking, werkten allemaal.

Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.

Evenmin vormde de container een ongeordende vergaarbak van zeer verschillende producten. De inhoud van de container was beperkt tot koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, die voor een groot deel nog in hun originele verpakking zaten verpakt.

Voorts acht het hof van belang dat de producten op het moment van het ongedaan maken van de aankoop door de consument en de verkoop door de detaillist nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en nog volledig in het handelsverkeer als voortzetting van het distributieproces waren (vergelijk: gebruikte automobielen tot twee jaar oud). Ook de afnemer in het land van bestemming zou een daarmee corresponderende prijs betalen. De container bevatte geen residu(en) van een productieproces van een andere stof, noch kwam de inhoud van de container voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking. Van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen was bij de producten in de onderhavige container geen sprake.

Een en ander tezamen brengt met zich dat het naar het oordeel van het hof in dit geval - gelet op alle omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen - niet gaat om stoffen of voorwerpen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip afvalstof in de zin van de EVOA.

Gelet op het voorgaande is geen handeling verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 van de EVOA, noch sprake van bedrijfsafvalstoffen zoals bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU, zoals door de raadsman verzocht, acht het hof geen termen aanwezig."

2.4.

De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde bepalingen, zoals die luidden ten tijde van de tenlastegelegde feiten, houden het volgende in:

- Art. 10.60, tweede lid, Wet milieubeheer:

"Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen."

- art. 2 verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEG L 190), hierna: EVOA:

"Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. "afvalstoffen": afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG;

(...)

35. "illegale overbrenging": een overbrenging van afvalstoffen:

a) zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

b) zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

(...)"

- art. 1, eerste lid, onder a, Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114):

"1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen."

- Voormelde bijlage I houdt als opsomming van categorieën afvalstoffen onder meer in:

"Q2 Producten die niet aan de normen voldoen

(...)

Q14 Producten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bijvoorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.)

(...)

Q16 Alle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen."

- art. 10.55, eerste lid, onder b, Wet milieubeheer:

"1. Het is verboden:

a. (...)

b. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te verhandelen,

c. (...)

zonder vermelding als respectievelijk vervoerder, handelaar of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars."

2.5.1.

De tenlastelegging van feit 1 en die van feit 2 zijn toegesneden op de Wet Milieubeheer. De daarin voorkomende term (bedrijfs) "afvalstoffen" moet telkens geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer.

2.5.2.

Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' in de

Wet milieubeheer moet worden aangesloten bij de in art. 1,

eerste lid onder a, van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) gegeven omschrijving, te weten: of de houder zich van de stof of het voorwerp ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

2.5.3.

Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' mede verwezen naar hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312). Deze Richtlijn heeft met ingang van 12 december 2010 - na de tijdstippen waarop de tenlasteleggingen zien - de Richtlijn 2006/12/EG vervangen. Deze vervanging getuigt niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de voor de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn begane strafbare feiten (vgl. ECLI:NL:HR:2012, LJN BU3988, rov. 3.2.3). De Richtlijn 2008/98/EG beoogt blijkens de preambule een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in het bijzonder de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer, voor zover hier van belang, een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). Deze specificatie is in essentie ook onder het regime van de Richtlijn 2006/12/EG in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkeld. Daarom kan en mag ook de Richtlijn 2008/98/EG bij de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' worden betrokken.

2.5.4.

De volgende bepalingen van de Richtlijn 2008/98/EG zijn van belang.

- Artikel 3:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen.

(...)

13. "hergebruik": elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

14. "verwerking": nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

15. "nuttige toepassing": elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een

niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen;

16. "voorbereiding voor hergebruik": elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

17. "recycling": elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

(...)

19. "verwijdering": iedere handeling die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen."

- Artikel 6:

"Einde-afvalfase

1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp.

(...)"

2.6.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de in de tenlastelegging bedoelde elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten geen stoffen of voorwerpen betreffen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip 'afvalstof'. Dat oordeel berust in het bijzonder op de in zijn overwegingen gedane vaststellingen, die erop neerkomen dat de onderhavige container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte, doch dat de container "(nagenoeg) nieuwe producten" bevatte "die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt", en dat daaraan niet afdoet "dat er bij een deel van de goederen een kleine reparatie nodig was". Het Hof heeft voorts geoordeeld dat van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen bij deze producten geen sprake was en daarbij in het bijzonder van belang geacht dat de producten nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en het niet ging om producten die voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kwamen.

2.6.2.

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat het voor het antwoord op de vraag of sprake is van een 'afvalstof' niet eerst behoefde vast te stellen of de houders van wie de verdachte de voorwerpen heeft betrokken zich van de desbetreffende voorwerpen hebben ontdaan of voornemens waren zich daarvan te ontdoen. Dat oordeel geeft, mede in het licht van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de noten 7 tot en met 10 vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, blijk van een onjuiste, want te beperkte uitleg van het begrip 'afvalstof' in de zin van art. 1, eerste lid onder a, Richtlijn 2006/12/EG. Voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen zijn immers afvalstoffen, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn, en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren.

Voorts is het oordeel van het Hof dat (al) de voorwerpen zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking in het land van bestemming konden worden hergebruikt niet begrijpelijk gemotiveerd, nu het Hof ervan is uitgegaan dat bij een deel van de producten nog enige reparatie nodig was en het Hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de producten zullen worden hergebruikt zonder dat (ook overigens) een verdere voorbehandeling nodig is als omschreven in art. 3 onder 16 van de Richtlijn 2008/98/EG.

2.6.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar de Economische Kamer van het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013.