Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1557

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/02051
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1543, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verontschuldigbare termijnoverschrijding bij instellen h.b.? De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van deze overweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Wetboek van Strafvordering 451a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/10 met annotatie van mr. S.H.S. Ayre
RvdW 2014/104
NJ 2014/179

Uitspraak

3 december 2013

Strafkamer

nr. S 12/02051

CB/SG

 

Hoge Raad der Nederlanden

 

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 januari 2012, nummer 21/003174-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Jansma, advocaat te Kampen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot het nemen van een zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv gepast acht.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel strekt ten betoge dat het Hof het namens de verdachte gedane beroep op de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

3.2.1.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep het volgende aangevoerd:

"7. Met betrekking tot de ontvankelijkheid concludeert [verdachte] primaire dan ook dat zij hoger beroep heeft ingesteld binnen de veertien dagentermijn, nadat de einduitspraak bij haar bekend was geworden (...).

8. Mocht u daarentegen tot de conclusie komen dat er wel sprake is van een termijnoverschrijding, dan stelt [verdachte] zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

9. Immers, zij is op 13 mei 2010 aangehouden in verband met openstaande Wet Mulder-boetes en naar aanleiding daarvan direct opgesloten in de PI Overijssel.

[verdachte] ontbrak het dan ook aan daadwerkelijke rechtsbijstand. Zo is er pas begin juli 2010 door middel van bemiddeling van het maatschappelijk werk van de PI, door [verdachte] contact opgenomen met ondergetekende. [verdachte] stelt dat, doordat zij geen enkele financiële middelen ter beschikking had, zij niet in telefonisch contact kon treden met een raadsman.

10. Daarnaast was zij er ook niet van op de hoogte dat er ook door middel van een verklaring ex artikel 451a Sv hoger beroep kon worden ingesteld. Ook stelt zij dat zij er niet van op de hoogte was dat de hoger beroepstermijn 14 dagen betreft bij politierechterzaken. Met betrekking tot de mogelijkheid van een verklaring ex 451a Sv dan wel dat de hoger beroepstermijn 14 dagen is, heeft haar geen ambtelijke informatie bereikt.

11. Reden waarom [verdachte] van mening is dat er sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding."

3.2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorts het volgende aangevoerd:

"Primair ben ik van mening dat er op 13 mei 2010 geen mededeling uitspraak in deze zaak is uitgereikt. Subsidiair, indien dit wel gebeurd zou zijn, geeft de bijsluiter geen informatie voor het geval cliënt in voorlopige hechtenis zit. Cliënt heeft dus verontschuldigbaar de termijn overschreden."

3.3.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het op de voet van art. 451a Sv ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het vonnis waarvan beroep is op 13 mei 2010 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn op 31 mei 2010 ingesteld. Het hof acht uit hetgeen door de raadsman van verdachte ter zitting van het hof is aangevoerd niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden verontschuldigen. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

3.4.

Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462).

3.5.

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, noch in het licht van de bij de pleitnota gevoegde bijsluiter bij de aan de verdachte uitgereikte mededeling uitspraak. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof op grond van die bijsluiter, inhoudende onder meer dat het aanwenden van een rechtsmiddel mogelijk is binnen veertien dagen na de uitreiking van de mededeling uitspraak, aangenomen dat indien de verdachte toen gebruik had willen maken van een rechtsmiddel maar niet op de hoogte zou zijn geweest van de wijze waarop zij hoger beroep diende in te stellen, van haar in redelijkheid mocht worden gevergd dat zij tijdig het nodige zou hebben gedaan om zich daarvan op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld door zich te wenden tot ter zake deskundige medewerkers van de inrichting, terwijl door de raadsman niet is aangevoerd dat zij zodanige activiteiten heeft ondernomen.

3.6.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 december 2013.