Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1555

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/01681
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:834, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1540, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Ambtshalve constateert de HR -overeenkomstig het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het Hof- dat het feit niet is verjaard. Conclusie AG: anders, verjaring feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/102
NJ 2014/178

Uitspraak

3 december 2013

Strafkamer

nr. S 12/01681

EC/KD

 

Hoge Raad der Nederlanden

 

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 maart 2012, nummer 21/003661-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen - behoudens voor zover het Hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd - en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen - behoudens voor zover het Hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd - en wegens verjaring van het tenlastegelegde feit de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

3.2.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B Opiumwet gegeven verbod, begaan op of omstreeks 3 juli 2003. De Politierechter in de Rechtbank Arnhem heeft de verdachte bij vonnis van 26 mei 2004 ter zake van dit feit bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken. Het Hof heeft bij het thans bestreden arrest van 26 maart 2012, met vernietiging van het vonnis van de Politierechter, het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.3.

Voormeld feit is in art. 11, tweede lid, in verbinding met art. 13, tweede lid, Opiumwet strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2˚, Sr bedraagt de termijn van verjaring zes jaren.

3.4.

Ingevolge het thans geldende, hier toepasselijke art. 72, eerste lid, Sr wordt de verjaring van het recht tot strafvordering gestuit door elke daad van vervolging, dus ook zonder dat die daad de vervolgde bekend of hem betekend is.

3.5.

Bij de stukken bevinden zich vier verstekmededelingen als bedoeld in art. 366 Sv met betrekking tot het vonnis van de Politierechter van 26 mei 2004, gedateerd 18 juni 2004, 12 juli 2004, 17 november 2008 en 6 april 2010. In verband met het bepaalde in art. 557, tweede lid, Sv strekten deze mededelingen ertoe te bewerkstelligen dat het vonnis van de Politierechter voor tenuitvoerlegging vatbaar werd . Dit brengt mee dat elk van die mededelingen dient te worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72 Sr.

3.6.

Het in het bestreden arrest van 26 maart 2012 besloten liggende oordeel van het Hof dat, kort gezegd, het tenlastegelegde feit niet is verjaard, is - gelet op het vorenoverwogene - juist.

4 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 december 2013.