Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1443

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
12/00245
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY6886, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, zie ook het arrest 12/00244.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2975
FutD 2013-2906
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 november 2013

Nr. 12/00245

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 november 2011, nr. 11/00267, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 10/3030) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenveroordeling vernietigd en voor het overige bevestigd.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 27 november 2012 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

Het eerste middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 12/00244 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. Het tweede middel faalt op grond van hetgeen is overwogen in vorenbedoeld arrest.

’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat bij belanghebbende in het onderhavige jaar bij het bepalen van haar inkomen uit werk en woning, naast het belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de aangifte ten bedrage van € 18.013 en de correctie met betrekking tot de zelfstandigenaftrek ten bedrage van € 3162, rekening moet worden gehouden met een winst uit werk en woning ter grootte van een derde van (€ 210.053 (het totaal van de winstcorrecties maatschap, zie uitspraak van de Rechtbank, onderdeel 4) verminderd met € 149.747 (het vervallen van de correctie met betrekking tot de onttrekking van de bouwkavel)) € 60.306, ofwel € 20.102.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 12/00244 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 41.277 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 9330,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 885 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.