Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/03186
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:389, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. HR wijst de aanvraag tot herziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 november 2013

Strafkamer

nr. 12/03186 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 27 mei 2004, nummer 13/120088-98, ingediend door mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1, 3 en 6 "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd", 2 en 4 "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 5 "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven" veroordeeld tot gevangenisstraf van 8 maanden alsmede tot een geldboete van € 450.000,-, subsidiair 12 maanden hechtenis.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot een toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2.1.

De als eerste aangevoerde grond heeft betrekking op hetgeen onder 1 door de Rechtbank is bewezenverklaard. De belastingaangifte waarop dit feit betrekking heeft, betreft het jaar 1991 en is ingediend op 25 maart 1993. Voordat de strafrechtelijke vervolging is aangevangen, was door de Belastingdienst al een navorderingsaanslag opgelegd met een verhoging van 100% waarvan nihil is kwijtgescholden. Betoogd wordt nu dat "door strafrechtelijk te vervolgen nadat al bestuursrechtelijk gehandhaafd (gestraft) is (...) het OM [heeft] gehandeld in strijd met het (...) Una Via-beginsel", hetgeen - aldus de aanvrager - betekent dat, ware die omstandigheid de Rechtbank bekend geweest, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zou zijn verklaard.

4.2.2.

Daargelaten of de Rechtbank destijds inderdaad niet bekend was met de aangevoerde omstandigheid, miskent de aanvrager dat het door hem bedoelde beginsel ten tijde van het plegen van het onderhavige feit door de wetgever tot uitdrukking was gebracht in art. 18, derde lid, (oud) Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Daarin is immers bepaald dat, indien de belastingplichtige ter zake van overtreding van art. 68 (oud) AWR bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld, de verhoging vervalt welke haar grond vindt in het feit ter zake waarvan die uitspraak is gewezen. Reeds daarom is de aanvraag in zoverre ongegrond.

4.3.1.

De als tweede aangevoerde grond heeft evenals de als derde aangevoerde grond betrekking op het onder 3 bewezenverklaarde feit, meer in het bijzonder op het bewezenverklaarde gevolgbestanddeel, het zogenoemde strekkingsvereiste.

4.3.2.

De Rechtbank heeft overeenkomstig de tenlastelegging onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"verdachte op 10 juli 1995 te Haarlem opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de Inkomstenbelasting/premie Volksverzekeringen/Vermogensbelasting voor zichzelf onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk onjuist en onvolledig opgegeven, door middel van een door of vanwege hem, verdachte, ingevuld, ondertekend en bij de Inspecteur der Inkomstenbelasting te Haarlem ingeleverd aangiftebiljet voor de Inkomstenbelasting/premie Volksverzekeringen 1993 en Vermogensbelasting 1994 (bijlage D/03) dat zijn, verdachtes, (belastbaar) inkomen bedroeg fl. 15.727.835,-, terwijl dat (belastbaar) inkomen in werkelijkheid meer bedroeg dan het aangegeven bedrag, zulks terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven."

4.3.3.

De tweede grond houdt in dat tegenover de ten onrechte in de aangifte opgevoerde aftrekpost 'bemiddelingskosten' een hogere, niet opgevoerde, aftrekpost 'arbitragekosten' stond. De derde grond houdt in dat de aanvrager in de aangifte 100% in plaats van 50% van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in de "[A]" heeft verantwoord. Beide gegevens, waarmee de Rechtbank destijds niet bekend was, leiden volgens de aanvrager ertoe dat de aangifte van de aanvrager niet tot gevolg kan of zou kunnen hebben gehad dat te weinig belasting werd geheven, zodat niet voldaan werd aan het strekkingsvereiste, hetgeen tot vrijspraak van feit 3 zou hebben geleid.

4.3.4.

Anders dan de aanvrager, die zich in de aanvraag richt op het bewezenverklaarde gevolgbestanddeel, betoogt, betekent het enkele feit dat niet te weinig belastbaar inkomen is aangeven niet dat van de beide onjuistheden in de aangifte niet het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Daarbij gaat het immers om de enkele mogelijkheid dat de onjuiste en/of onvolledige aangifte tot een te geringe belastingheffing zou hebben kunnen leiden, terwijl niet is vereist dat daadwerkelijk te weinig belasting is geheven. In zoverre is de aanvraag ongegrond.

4.4.

Zoals de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 6.3 en 7.5 met juistheid heeft uiteengezet, behelst de als vierde noch de als vijfde aangevoerde grond een gegeven als hiervoor onder 4.1 bedoeld. Ook in zoverre is de aanvraag ongegrond.

4.5.

Wat betreft de als zesde aangevoerde grond heeft de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 8.3 met juistheid opgemerkt dat die grond feitelijke grondslag mist. Reeds daarom is de aanvraag in zoverre ongegrond.

4.6.

De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.

Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.