Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1356

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
12/00899
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BV6160, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1306, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:BM4440, NJ 2010/655 en ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266. In het onderhavige geval gaat het onder meer om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een geldbedrag - dat naar het oordeel van het Hof vooral afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven (kort gezegd de handel in illegaal vuurwerk) en heeft het Hof geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/101
NJ 2014/74 met annotatie van M.J. Borgers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 november 2013

'Strafkamer

nr. 12/00899 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 7 februari 2012, nummer 21/002479-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Mijnders, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de veroordeling voor feit 4 - meer bepaald het witwassen van geld - en de strafoplegging betreft en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010 te Utrecht en Kamerik, voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag (in totaal ongeveer 149.000 euro), en

- een Volkswagen Touran (kenteken [AA-00-BB]) en een Nissan Primera (kenteken [CC-00-DD]), en

- 135 modelauto's en 7 modelmotoren; en

- 15 horloges; en

- een partij kleding; en

- 1.723 DVD's en CD's; en

- 59 verpakkingen cosmetica en parfum; en

- 1 LCD-televisie en 1 blu-rayspeler; en

- 1 digitale videocamera en 1 digitale fotocamera; en

- twee aanhangwagens (kentekens [EE-00-FF] en [GG-00-HH])

voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat voornoemde voorwerpen en geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de economische kamer van dit hof van 24 januari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat de rechtbank (onder meer) heeft bewezen verklaard dat ik in de periode van 10 december tot en met 21 december 2010 te Kamerik opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik voorhanden heb gehad, nu ik ongeveer 3500 kilogram professioneel vuurwerk, te weten onder meer:

- 106 flowerbeds;

- 116 Chinese rollen (T809 Celebration cracker);

- 24 stuks knalvuurwerk (Cobra 6 Super);

- 36 mortierbommen (Brocade Crown/Triplex);

voorhanden heb gehad in een schuur aan de [a-straat 1] te Kamerik en dat ik genoemd vuurwerk omstreeks 10 december 2010 in Kamerik voorhanden had buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 Vuurwerkbesluit of in artikel 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit.

Voorts heeft de rechtbank bewezenverklaard dat ik in de periode van 1 november 2010 tot en met 10 december 2010 te Vianen en Baarn en IJsselstein opzettelijk professioneel vuurwerk aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis ter beschikking heb gesteld nu ik:

326 kilogram professioneel vuurwerk, te weten onder meer:

- 12 Chinese rollen T809 Celebration cracker;

- 640 stuks knalvuurwerk TXP847;

- 410 stuks knal vuurwerk TXP825;

- 8 flowerbeds;

- 168 vuurpijlen Aries TXR379;

- 50 lawinepijlen Signal Rocket;

- 2 knalstrengen R501 Red Cracker A;

- 36 mortierbommen R0001-4;

- 85 stuks knalvuurwerk TXP695;

- 240 stuks knalvuurwerk TXP4848;

ter beschikking heb gesteld aan [betrokkene 1] te Vianen,

356 kilogram professioneel vuurwerk, te weten onder meer:

- 80 mortierbommen;

- 530 stuks knalvuurwerk Chinese vlinders;

- 30 lawinepijlen Signal Rocket;

- 40 lawinepijlen Moon night;

- 3 Chinese rollen T809 Celebration cracker;

ter beschikking heb gesteld aan [betrokkene 2] te Baarn,

en een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten onder meer:

- 15 stuks knalvuurwerk Cobra 6 Super;

- 3 Chinese rollen T809 Celebration cracker;

ter beschikking gesteld aan [betrokkene 3] te IJsselstein.

Die bewezenverklaring van de rechtbank is juist.

21. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-52, gedateerd 7 januari 2011, dossierpagina 337-343, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

In het kader van onderzoek [A] werd op 20 december 2010 een doorzoeking gehouden in de woning van verdachte [verdachte] aan de [b-straat 1] te Utrecht. Bij deze doorzoeking werden grote sommen contant geld aangetroffen.

Specificatie biljetten

Aantal Coupure Bedrag in EUR

122 EUR 500 61.000

176 EUR 200 35.200

260 EUR 100 26.000

494 EUR 50 24.700

4 EUR 20 80

2 EUR 10 20

Totaalbedrag EUR 147.000

22. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-50, gedateerd 28 december 2010, dossierpagina 323-325, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In het kader van onderzoek Duinpieper werd op 20 december 2010 een doorzoeking gehouden in de woning van verdachte [verdachte] aan de [b-straat 1] te Utrecht. Daarbij werden diverse goederen in beslag genomen.

23. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, genummerd PL0987 2010275899-51, gedateerd 20 januari 2011, dossierpagina 393-401, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Inbeslagneming

Plaats Utrecht

Datum 20 december 2010

Verdachte [verdachte]

Adres [b-straat 1] Utrecht

Inbeslaggenomen onder verdachte:

- geldbedrag 147.000 euro in Nederlandse bankbiljetten

- 135 modelbouw auto's

- 7 modelbouw motoren

- 13 horloges

- 32 boxershorts, nieuw in verpakking

- 7 broeken, nieuw in verpakking of met verkooplabel

- 1 trainingspak, merk Versace, nep

- 13 overhemden nieuw in verpakking of met verkooplabel

- 8 paar schoenen

- 7 polo's/shirts, nieuw in verpakking of met verkooplabel, echt

- 3 vesten, nieuw in verpakking of met verkooplabel

- 1348 dvd's, zowel gebruikt als nieuw in verpakking

- 375 cd's, zowel gebruikt als nieuw verpakt

- cosmetica, 55 verpakkingen oogcrème Lancaster, 62 euro per stuk

- 4 nieuwe verpakkingen 100 ml Chanel No.5, nep

- videocamera in verpakking, merk Delvoy

- 1 digitale camera met geheugenkaart, Samsung Digimax V50

- 1 digitale camera met geheugenkaart, Cadio Exilim

- flatscreen televisie, Samsung, Full HD LCD

- 1 Blue ray speler, Samsung

- 3 nephorloges, 2x Rolex en lx Breitling

- 1 nep parfum van Hugo Boss

- 2 broeken, True Religion, nep

- 4 paar schoenen, lx La Martina, lx Dior, 2x Dolce Cabanna, nep

- 13 polo's/shirt, 7x Replay, 4x Lacoste, lx Tommy Hilfiger, lx Hugo Boss, nep.

24. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-31, gedateerd 15 december 2010, dossierpagina 348-349, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 10 december 2010 hebben wij een onderzoek ingesteld. Door de aangehouden verdachte [verdachte] werd toestemming verleend om een onderzoek uit te voeren in zijn in eigendom toebehorende Volkswagen Touran personenauto ([AA-00-BB]).

Op 10 december 2010 bevonden wij ons voor de woning van verdachte [verdachte] aan de [b-straat 1] te Utrecht. Wij zagen dat er in een parkeervak direct voor deze woning een witte Volkswagen Touran personenauto stond, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Deze auto werd in beslag genomen.

25. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, genummerd PL0987 2010275899-23, gedateerd 13 december 2010, dossierpagina 362-363, voorzover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Inbeslagneming

Plaats Kamerik

Datum 10 december 2010

Verdachte [verdachte]

In beslag genomen onder verdachte:

een aanhanger, Hapert K, kenteken [GG-00-HH]

een aanhanger, Hapert K, kenteken [EE-00-FF]

een bestelauto, Nissan Primastar 1200, kenteken [CC-00-DD].

26. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-38, gedateerd 16 december 2010, dossierpagina 350-351, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 12 december 2010 uit de fouillering van [verdachte] in beslaggenomen al het aanwezige papiergeld.

Ik zag dat het een geldbedrag was van 2.130 euro, bestaande uit:

- 13 biljetten van 100 euro = 1.300 euro

- 8 biljetten van 50 euro = 400 euro

- 16 biljetten van 20 euro = 320 euro

- 7 biljetten van 10 euro = 70 euro

- 8 biljetten van 5 euro = 40 euro.

27. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik zo eens in de drie maanden een modelauto kocht. Het klopt dat die ongeveer 300 euro per stuk kosten. De inbeslaggenomen auto's zijn van mij. Ik heb de Nissan Primastar verkocht (het hof begrijpt: gekocht) in verband met de hoge opstap. Ik wilde de Volkswagen Touran verkopen. Het klopt dat er horloges, kleding en cd's en dvd's in mijn huis zijn gevonden. Ik heb de cd's en dvd's gekocht. Het klopt dat er cosmetica in mijn woning is gevonden. Ik heb deze gekocht. De inbeslaggenomen aanhangers en elektronica zijn ook van mij.

Van mijn uitkering heb ik niet gespaard. Dat is niet mogelijk.

28. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-21, gedateerd 12 december 2011, dossierpagina 57-58, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De twee aanhangwagens die in de schuur in Kamerik staan zijn mijn aanhangwagens. Ik bezit twee auto's, een Volkswagen Touran en een Nissan bestelbus.

29. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7], opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2010275899, gedateerd 21 december 2010, dossierpagina 59-64, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben honderd procent afgekeurd. Dat is al heel lang. Ik krijg 950 euro arbeidsongeschiktheidsuitkering per maand. Ik ben niet in staat om van mijn uitkering ook nog te sparen.

30. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 8], brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0987 2010275899-59, gedateerd 1 februari 2011, dossierpagina 73-87, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb al meer dan 25 jaar een WAO-uitkering.

Uit de UWV-gegevens blijkt dat u sinds 1977 een uitkering geniet. Is dit al die jaren zo geweest?

Ik heb in 1999 of in 2000 een tijdje voor [betrokkene 4] gewerkt. Ik heb dat netjes opgegeven aan het UWV. Verder heb ik altijd gewoon de uitkering gehad."

2.2.2.

Met betrekking tot deze bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:

"Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen niet van misdrijf afkomstig waren en dat ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag geen sprake is geweest van enige omzettingshandeling. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte op grond van de zogenaamde "heler-steler regel" dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voor feit 4 een bewezenverklaring moet volgen.

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de tenlastelegging op dit onderdeel niet toegespitst is op artikel 416 van het Wetboek van strafrecht maar op witwassen zoals strafbaar gesteld in artikel 420 aanhef en sub b van het wetboek van strafrecht.

"Uit enig misdrijf afkomstig" en "verwerven, voorhanden hebben en/ of omzetten"

Voor de aanwezigheid van het in verdachtes woning te Utrecht aangetroffen geld en van de andere in de tenlastelegging opgesomde goederen daar (en Kamerik) verwijst het hof naar de aanvulling van de bewijsmiddelen die zal worden opgemaakt als het tot cassatie komt.

Verdachte heeft dit alles voorhanden gehad. En hij moet dit alles ook hebben verworven want dat het aan een ander of anderen zou toebehoren is op grond van de verschillende door verdachte afgelegde verklaringen geen variant waarmee serieus rekening moet worden gehouden en in tegenspraak met de uitleg die hij nadien heeft gegeven.

Verdachte genoot op 10 december 2010 (toen de feiten 1, 2 en 3 aan het licht kwamen) al jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarvan kan (kon) hij, zegt hij aanvankelijk zelf, niet sparen. In zijn 8e verhoor zegt hij dat het geld is gespaard en ook dat hij over andere bronnen van inkomen dan zijn - bescheiden - arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wil verklaren. Die waren er kennelijk wel want anders zou dat niet zo gezegd zijn. Die andere inkomstenbronnen moeten er ook wel zijn geweest. Dat wijst de inbeslaggenomen hoeveelheid geld (in totaal ongeveer € 149.000,- in contanten) uit. Dat het zou gaan om besparingen (doordat hij zijn woonkosten deelt met een vrouw die bij hem in woont) is geen aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van die aanzienlijke hoeveelheid geld. Dat hij (daarenboven) de uitgaven heeft kunnen doen die nodig waren (of moeten zijn geweest) voor de aanschaf van alle andere in de tenlastelegging opgesomde goederen, is evenmin of a fortiori niet aannemelijk geworden. Het hof gaat er dus vanuit dat verdachte heeft beschikt over ander inkomen naast zijn uitkering.

Uit de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 volgt dat verdachte zich bezighield met de handel in illegaal vuurwerk. Dat het ging om handel op forse schaal blijkt uit de hoeveelheden vuurwerk die in Kamerik en Utrecht werden aangetroffen (feit 1) en uit de omvang van de partijen vuurwerk die hij heeft geleverd aan [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (feit 2). Het hof houdt het voor een feit van algemene bekendheid dat de handel in illegaal vuurwerk, zeker als het gaat om zulk zwaar vuurwerk als, bijvoorbeeld, lawinepijlen en mortierbommen lucratief is en dat de verdachte met deze handel goed geld heeft verdiend. Aannemelijk is dat verdachte zich daarnaast bezighield met partijhandel. Dat leidt het hof af uit de aanwezigheid van de grote hoeveelheid (1723 stuks) DVD's en cd's (dat van een particuliere verzameling sprake was is wel gesteld maar niet aannemelijk geworden) en uit de 59 verpakkingen cosmetica en/of parfums.

Dan is er het gegeven dat verdachte geld dat bij hem in beslag is genomen, voor een belangrijk deel bestond uit binnen het reguliere circuit ongebruikelijke coupures van € 500 en € 200. Ook dit gegeven is een sterke aanwijzing voor het feit dat het om geld gaat met een criminele herkomst.

Volgens verdachte is een belangrijk deel van het geld verdiend met de handel in antieke auto's en de forse winsten die hij daarbij van tijd tot tijd maakte. Dat is niet aannemelijk geworden en het lijkt ook in tegenspraak met het weinige en in elk geval weinig concrete dat verdachte eerder bij de politie over de herkomst van het geld heeft gezegd. Daarvan was de teneur dat hij zo nu en dan een schadeauto kocht en met winst verkocht Verder zou hij in 2001 of 2002 € 28.000,- of € 29.000,- van de verzekering hebben gekregen. Dat laatste is niet aannemelijk geworden. In het 5e verhoor heeft hij het over een meevaller maar ook ten aanzien daarvan is verder niet op enigerlei wijze iets meer gesteld waardoor die meevaller voor het hof aannemelijk is geworden. Kort en goed, naar het oordeel van het hof gaat het om geld en goederen waarvan het niet anders kan dan dat zij afkomstig zijn uit misdrijf. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat het geld en goederen in kwestie of het geld waarmee deze goederen zijn gekocht afkomstig zijn van overtredingen.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het niet zo behoeft te zijn dat vast moet staan dat het geld en goederen die de tenlastelegging vermeldt niet bij verdachte terecht zijn gekomen vóór de tenlastegelegde periode.

Het in de tenlastelegging genoemde "en/of omzetten" zal het hof eveneens bewezen verklaren omdat het ervan uitgaat dat de aanschaf van de verschillende de in de tenlastelegging genoemde (luxe-) goederen in de woning van verdachte zijn gedaan met door verdachte uit misdrijf verkregen geld.

Het hof heeft bij zijn beslissing gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010. Daarin wordt overwogen dat de gedragingen van een verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als een vorm van witwassen "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp". Vastgesteld moet worden dat verdachte in feit 4 niet wordt verweten dat sprake is geweest van "verbergen of verhullen van de criminele herkomst van" het geld en goederen die daar worden genoemd. Vervolgens is van belang dat wegens de eigen aard van de witwasbepalingen (artikel 420 bis Wetboek van strafrecht lid 1 sub b waarom het hier gaat is daarvan niet uitgezonderd) de herkomst van een voorwerp uit eigen misdrijf niet aan een veroordeling voor witwassen in de weg staat."

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

4.2.

Art. 420bis Sr luidt:

"1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

4.3.1.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16).

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

4.3.2.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

4.4.

In het onderhavige geval gaat het onder meer om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een geldbedrag - dat naar het oordeel van het Hof vooral afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven (kort gezegd de handel in illegaal vuurwerk) en heeft het Hof geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

4.5.

Het middel slaagt.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.