Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1352

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/00723
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1308, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorwerp i.d.z.v. art. 2.1 categorie I sub 7 WWM? Het op het tot bewijs gebezigde p-v van bevindingen van de hoofdagent en taakaccenthouder WWM gebaseerde oordeel van het Hof dat het in de tll vermelde (luchtdruk)geweer een voorwerp is i.d.z.v. cat. I sub 7 WWM is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het p-v ttz. niet blijkt dat aldaar door of namens verdachte de deskundigheid van genoemde verbalisant is betwist. Op het bij de cassatieschriftuur gevoegde rapport kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan, nu de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2572
RvdW 2013/1434
NJ 2014/39 met annotatie van M.J. Borgers
EeR 2014, afl. 1, p. 29
SR-Updates.nl 2013-0449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 november 2013

Strafkamer

nr. S 12/00723

DAZ/IF

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 4 november 2011, nummer 21/003387-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 9 december 2009 te Amsterdam en/of te Schiphol (Haarlemmermeer), een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (luchtdruk)geweer (merk Benjamin Marauder), zijnde een voorwerp die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (kogelgeweer), heeft doen binnenkomen vanuit de Verenigde Staten (USA)."

2.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de BelastingdienstDouane Nederland, kantoor Schiphol Cargo, opgemaakt proces-verbaal van bevinding, genummerd 201000966, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

BelastingdienstDouane Nederland

Kantoor Schiphol Cargo

Op 9 december 2009 te Amsterdam controleerde ik een postpakket dat was geadresseerd aan: [betrokkene], [a-straat 1] te [plaats].

Pakketnummer/kenmerk: [0001]. De zending was verstuurd vanuit: Verenigde Staten. Ik legde het postpakket op de aanvoerband van het röntgenapparaat en zag, tijdens het scannen, op het beeldscherm van het apparaat contouren van, vermoedelijk, een wapen. Na het openen van de buitenverpakking zag ik dat de inhoud van dit postpakket bestond uit 1 stuk Benjamin Marauder, .22.

Het postpakket met gehele inhoud is in beslag genomen.

2. Een document genaamd 'Overdrachtsformulier wapens categorieën 1/2/3/4 Wet wapens & munitie scip/imu Amsterdam', zijnde een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339 onder 5e van het Wetboek van Strafvordering, onder meer inhoudende:

Omschrijving goed/wapen: 1 stuks Benjamin Marauder .22

Merken/nummers: [0001]

Datum en tijdstip van overdracht: 3 februari 2010

Naam Politie/Kmar-ambtenaar belast met ontvangst van de overdracht: [verbalisant 2]

3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent, taakaccenthouder Wet Wapens en Munitie, opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen, genummerd 2010029645-3, gedateerd 3 februari 2010, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij het Sorteer Centrum Internationale Pakketten (SCIP) Douane West te Amsterdam werd op 3 februari 2010 een voorwerp in beslag genomen dat een nabootsing is van een geweer dat voor wat betreft vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen.

Het in beslag genomen voorwerp is een hogedruk luchtdrukwapen met luchtvoorraad cilinder.

Merk: Benjamin

Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een kogelgeweer.

Dit voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7 van de WWM.

Het luchtdrukgeweer vertoont, wat betreft zijn afmetingen en vorm en zijn laadspangreep een sprekende gelijkenis met een bestaand soort vuurwapen. Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een bolt action .22 kogelgeweer.

Het luchtdrukgeweer heeft een sprekende gelijkenis met en het uiterlijk van een klein kaliber sportgeweer, bolt action, kaliber. 22LR.

Gelet op deze overeenkomst is dit luchtdrukgeweer voor bedreiging en/of afdreiging geschikt.

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de WWM.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd op 21 oktober 2011 tijdens de zitting van het gerechtshof Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Het klopt dat ik een luchtdrukgeweer, een Benjamin Marauder, in de Verenigde Staten heb besteld en dat ik daarbij als afleveradres het adres van mijn schoonmoeder in Nederland heb opgegeven. Het geweer is op Schiphol in beslag genomen."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Ten aanzien van het verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, samengevat weergegeven, dat nu het wapen in kwestie niet voldoet aan door de politie opgestelde criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een voorwerp valt onder categorie I sub 7 van artikel 2 lid 1 van de Wet wapens en munitie, het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat onder meer een proces-verbaal 'onderzoek wapen', opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent en taakaccenthouder Wet Wapens en Munitie D2 van het Team Havens West. Voornoemde verbalisant heeft het wapen in kwestie, nadat het in beslag was genomen, onderzocht. Uit het proces-verbaal blijkt dat het inbeslaggenomen voorwerp een hogedruk luchtdrukwapen betreft met een luchtvoorraad cilinder. De bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] naar aanleiding van zijn onderzoek naar de uiterlijke verschijningsvorm van het wapen luiden als volgt:

'Het luchtdrukgeweer vertoont, wat betreft zijn afmetingen en vorm en zijn laadspangreep een sprekende gelijkenis met een bestaand soort vuurwapen. Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een bolt action .22 kogelgeweer.

Het luchtdrukgeweer heeft een sprekende gelijkenis met en het uiterlijk van een klein kaliber sportgeweer, bolt action, kaliber .22LR. Gelet op deze overeenkomst is dit luchtdrukgeweer voor bedreiging en/of afdreiging geschikt.'

Ten aanzien van het voorgaande merkt het hof op dat sprake is van een oordeel dat is opgesteld naar aanleiding van een onderzoek dat is verricht door een daartoe bevoegd verbalisant, deskundig op het terrein van de Wet Wapens en Munitie.

In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de conclusie van genoemde verbalisant omtrent het wapen in twijfel te trekken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een voorwerp van categorie I sub 7 van de Wet Wapens en Munitie dat een ernstige bedreiging kan vormen van personen dan wel dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, nu dit voorwerp voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen.

Het hof verwerpt het verweer."

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het hier gaat om een wapen behorende tot categorie I sub 7° van art. 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM).

3.2.

Het hier toepasselijk wettelijk kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5.

3.3.

Het Hof heeft zijn oordeel dat het in de tenlastelegging vermelde (luchtdruk)geweer een voorwerp is in de zin van categorie I sub 7° van art. 2, eerste lid, WWM doen steunen op het als bewijsmiddel 3 tot bewijs gebezigde proces-verbaal van [verbalisant 2], hoofdagent en taakaccenthouder Wet wapens en munitie, voor zover inhoudende diens bij zijn onderzoek aan het onderhavige voorwerp gedane bevindingen. Anders dan het middel betoogt, is dit oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aldaar door of namens de verdachte de deskundigheid van genoemde verbalisant is betwist.

3.4.

Dat voormeld wapen volgens het bij de schriftuur gevoegde rapport van de gerechtelijk deskundige J. van Driel van 8 juli 2012 niet valt onder categorie I sub 7° maar onder categorie IV van art. 2, eerste lid, WWM leidt niet tot een ander oordeel nu niet blijkt dat dit rapport aan het Hof is overgelegd en een beroep op dat rapport niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard doch geen straf is opgelegd, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.