Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:12

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12/01575
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8417, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:8
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Damschreeuwer. Nationale dodenherdenking op de Dam. Art. 142 Sr. 1. Valse alarmkreten. 2. Opzet. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat het schreeuwen van verdachte kan worden aangemerkt als een valse alarmkreet geeft, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. De opvatting van het Hof dat het opzet niet gericht behoeft te zijn op rustverstoring geeft blijk van een onjuiste uitleg van art. 142 .1 Sr, maar dat hoeft niet tot cassatie te blijken nu uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/902
NJB 2013/1790
NJ 2013/482 met annotatie van B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2013-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2013

Strafkamer

nr. 12/01575

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2012, nummer 23/004230-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte – voor zover in cassatie van belang – onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 4 mei 2010 te Amsterdam opzettelijk door valse alarmkreten de rust heeft verstoord, immers is verdachte opzettelijk doorgedrongen in de menigte op de Dam die daar was in verband met de dodenherdenking, gedurende de twee minuten gezamenlijke stilte, en heeft hij, verdachte, vervolgens zijn armen gespreid en angstaanjagend luidkeels geschreeuwd "Ahhhh, Ahhhh", waardoor een gedeelte van die menigte ongecontroleerd in beweging kwam en de rust, tijdens de twee minuten gezamenlijke stilte, van de dodenherdenking werd verstoord."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2010111598-4, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 18 tot en met 20), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:

Op dinsdag 4 mei 2010 rond 20.00 uur was op de Dam te Amsterdam de Nationale dodenherdenking alwaar de Koningin en diverse hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren. Tijdens de herdenking waren er duizenden mensen aanwezig welke de dodenherdenking bijwoonden. Rond 20.00 uur stond de Dam helemaal vol met toeschouwers.

Op dinsdag 4 mei 2010 bevonden wij ons op de Dam te Amsterdam. Wij hoorden dat de bel van de klok acht maal sloeg wat het teken in hield dat de twee minuten stilte was aangevangen. Wij hoorden in het totaal geen geluid en alle mensen waren stil. Het was reeds ongeveer 1 minuut stil op en rond de Dam.

Ik, [verbalisant 3] zag een man gekleed in een zwarte broek, wit overhemd en zwarte jas. Deze man gaf later op te zijn genaamd [verdachte]. Ik keek naar [verdachte] omdat hij liep en de rest stond allemaal stil. Ik zag dat hij zich door de menigte bewoog. Ik zag dat mensen geïrriteerd waren en hem nakeken. Ik zag iemand in zijn richting kijken en hoorde die persoon een sissend geluid maken kennelijk ten teken dat deze man zich stil moest houden. Ik bleef [verdachte] aankijken. Plotseling zag ik dat [verdachte] zijn armen spreidde en dat hij hierbij luidkeels schreeuwde: "AHHHH AHHH" Op dit moment stond ik ongeveer 5 à 6 meter bij [verdachte] vandaan. Direct hierop zag ik dat de omstanders vlak naast hem direct wegvluchtten om kennelijk zo ver mogelijk bij hem vandaan te komen. Er ontstond een kring van mensen welke steeds breder werd omdat iedereen wegrende. Hierdoor begon de hele menigte te rennen en ontstond er totale paniek.

Ik, [verbalisant 1], hoorde de kerkklok acht uur slaan ten teken dat de twee minuten waren aangevangen. Ik, [verbalisant 1], zag dat de menigte schouder aan schouder stond en dat de Dam geheel gevuld was met mensen die aanwezig waren voor de dodenherdenking. Ik, [verbalisant 1], zag dat er vanaf de Paleisstraat een man aan kwam lopen, die later opgaf te zijn genaamd [verdachte]. Ik, [verbalisant 1], zag dat [verdachte] door de menigte liep terwijl iedereen twee minuten stilhield, dat [verdachte] mensen opzij duwde en in de richting van de Dam/Rokin liep en dat [verdachte] snel bij mij vandaan liep en bijna in de menigte verdween. Direct hierna hoorde ik een man luid "AAAAAAAAAAAHHHHHHHHHHHHHHHH" schreeuwen. Direct hierna zag ik, [verbalisant 1], de gehele menigte in totale paniek van [verdachte] wegrennen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2010111598-7, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 22 en 23), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:

Wij, verbalisanten, bevonden ons op dinsdag 4 mei 2010 omstreeks 20.00 uur op de Dam te Amsterdam. Wij zagen dat er zich een grote menigte had verzameld op de Dam. Wij zagen dat de gehele Dam vol met mensen stond. Wij zagen dat alle personen op de Dam stil stonden en dat het door de drukte bijna onmogelijk was om door de menigte te lopen. Omstreeks 20.00 uur hoorden wij over de portofoon dat het bijna 20.00 uur was en dat de twee minuten stilte ingingen. Op dat moment hoorden wij, verbalisanten, dat de taptoe werd gespeeld, wat bekend staat als het aanvangsmoment van de herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

Wij, verbalisanten, hoorden vervolgens dat er een totale stilte heerste over de Dam. Wij, verbalisanten, zagen dat alle personen op de Dam geconcentreerd in de richting van het monument keken. Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], hoorden achter ons een geluid.

Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6], keken vervolgens naar de kant waar het geluid vandaan kwam. Wij zagen vervolgens een persoon.

Deze man gaf later aan het politiebureau op te zijn genaamd: [verdachte].

Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hoorden dat [verdachte] zei: 'Wat een onzin, waar is dat voor nodig?'.

Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] zich vervolgens door de menigte heen duwde. Wij zagen dat de mensen geïrriteerd reageerden op het gedrag van [verdachte].

Wij zagen dat diverse mensen op de Dam keken naar [verdachte]. Wij hoorden dat diverse mensen tegen [verdachte] zeiden: 'sssssst'.

Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] in de richting van Madame Tussauds liep.

Wij, verbalisanten, hoorden enkele ogenblikken hierna een harde schreeuw uit de richting van Madame Tussauds.

Wij zagen dat er paniek ontstond in de mensenmassa. Wij hoorden mensen gillen. Wij zagen mensen rennen komende uit de richting van Madame Tussauds en gaande in de richting van de Nieuwezijds Voorburgwal. Wij zagen dat er mensen over elkaar heen vielen tijdens het wegrennen.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111598-10, van 4 mei 2010 (dossierpagina's 46 tot en met 48), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 1]:

Ik ben getuige geweest van de ordeverstoring welke vandaag dinsdag 4 mei 2010 te 20.01 uur ten tijde van de twee minuten stilte van de Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam heeft plaatsgevonden.

Ik had op de Dam ter hoogte van de Madame Tussauds positie ingenomen.

Plotseling midden in de twee minuten stilte kwam er een man welke mij van achteren naderde. Ik zag en voelde dat de man mij vastpakte bij mijn beide armen ter hoogte van mijn biceps. Ik voelde dat de man mij heel stevig vastgreep. Ik draaide mij direct naar achteren, naar de man toe zeg maar. Terwijl de man naar voren schoof, kneep hij mij nog extra stevig in mijn armen en keek mij daarbij aan. Ik hoorde dat de man daarbij zei: "He dank je wel".

Ik ervoer de aanraking van de man als indringend omdat ik het gevoel kreeg dat de man echt aandacht zocht. Ik zag dat de man verder de menigte door (het hof begrijpt: doorliep) in de richting van het Rokin. Ik keek de man nog even na. Ik hoorde de man nog iets roepen in de trant van 'he hoe gaat 't?' Ik kreeg het gevoel dat de man heel vastberaden op (het hof begrijpt: vastberaden was om) de aandacht op zich te vestigen.

Ik hoorde mensen sssst roepen en in die richting kijken waarin de man verder liep.

De man lokte echt reacties uit door te gaan praten.

Het moment nadat de man op het Rokin de hoek om was gegaan hoorde ik een luid ononderbroken geschreeuw. Ik kan het omschrijven alsof het klonk als een doodskreet.

De reactie van de mensen eromheen leek alsof hetgeen ze aanschouwden iets verschrikkelijks was, daarbij denk ik aan iemand die zichzelf neersteekt. Ik hoorde de mensen namelijk heel diep zuchten met hoog geluid van schrik.

Ik zag toen dat de menigte vanaf de hoek bij Madame Tussauds, Rokin zich massaal begon te bewegen in mijn richting. Dit gebeurde rennend en schreeuwend waarbij ook ik vervolgens begon te rennen. Er ontstond in een fractie van een seconde totale paniek.

Ik kan de man als volgt beschrijven: orthodox joodse kleding, zwarte klassieke hoed, zwart haar met lange pijpenkrullen.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111598-18, van 5 mei 2010 (dossierpagina's 64 en 65), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 2]:

Vanavond dinsdag 4 mei 2010, omstreeks 20:00 uur was ik aanwezig bij de Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam. Ik stond vlakbij het wassenbeelden museum Madame Tussauds.

Bij het begin van de twee minuten stilte zag ik, dat er een man gekleed in een zwart gewaad, pijpenkrullen, baard en keppel, tussen de mensenmenigte doorliep. Ik hoorde dat de man hardop liep te praten; ik hoorde dat hij iets zei van "kutwijf" althans woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat een man de man maande om stil te zijn. Ik hoorde dat deze man het geluid maakte van: Ssstt.

Ik zag dat de man met de pijpenkrullen mij aankeek. Ik zag in zijn blik woede en haat. Volgens mij was hij niet dronken of zoiets. Opeens begon hij te gillen. Hij slaakte een lange verschrikkelijk harde kreet. De kreet ging mij door merg en been.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2010111632-46, van 6 mei 2010 (dossierpagina's 117 en 118), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 3]:

Ik was op dinsdag 4 mei 2010 aanwezig bij de dodenherdenking op de Dam in Amsterdam. Ik stond op de stoeprand vlak voor Madame Tussauds.

Om 20.00 uur, toen de twee minuten stilte begon, zag en hoorde ik dat er een man die vlak achter ons stond begon te bellen. Ik hoorde niet wat hij zei maar ik zag dat hij een telefoon bij zijn oor hield waar hij in sprak. Ik hoorde dat diverse omstanders hem aanspraken op zijn gedrag en zeiden dat hij stil moest zijn. Deze man stond ongeveer anderhalve meter achter ons op de stoep voor Madame Tussauds. Toen de man aangesproken werd door diverse omstanders liep de man naar voren tussen de menigte door. Ik kon de man niet meer zien door de mensenmassa, hij verdween in de menigte. Vlak hierna hoorde ik een ijzingwekkende gil. Het ging door merg en been.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

- de man was kleiner dan ik, ik ben 1.80 (het hof begrijpt: meter) lang,

- de man had een baard,

- droeg een zwarte hoed met een brede rand en een donkere jas.

Uit het onder 4 en 5 weergegeven signalement leidt het hof af dat het telkens de verdachte betrof.

6. Een geschrift, zijnde het uitgewerkte eerste studioverhoor van de verdachte op 5 mei 2010 (dossierpagina's 263 tot en met 295).

Dit geschrift houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven (op dossierpagina's 284 en 285):

G= Gehoorde (het hof begrijpt: [verdachte])

1= Interviewer

G: Ik ben richting het Damplein gewandeld. Nou, dat zou toen om een uur of 5 voor 8 geweest zijn of zo. (het hof begrijpt op 4 mei 2010, 19:55 uur)

G: En ik loop de Dam op en ik denk, wat een dooie boel hier zeg. Wat een stille toestand.

I: Hoe bedoel je, stille toestand?

G: Nou, dat het zo stil was.

G: Dus ik vond het wel druk, maar zo stil.

G: Ik denk, weetje wat we doen? We gooien d'r een letter in.

G: Dus ja, ik denk laten we 's wat roepen."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Voor de bewezenverklaring van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de rust wordt verstoord door valse alarmkreten of signalen, waarmee de gedachte aan een gevaarlijke of anderszins de gemoederen schokkende gebeurtenis wordt opgewekt. In het onderhavig geval moet derhalve bezien worden of de schreeuw van de verdachte een dusdanige opwekking heeft veroorzaakt en of die alarmkreet opzettelijk is gedaan, waarbij het opzet van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de rustverstoring. (...)

Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank, acht het hof allereerst wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de rust heeft verstoord door opzettelijk valse alarmkreten te uiten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Op 4 mei 2010, tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op het moment dat de twee minuten stilte in acht werden genomen, slaakte de verdachte

- naar uit zijn verklaring kan worden opgemaakt - opzettelijk een duidelijk hoorbare kreet. Hierdoor werd de normale gang van zaken op dat moment verstoord. Verbalisanten en getuigen hebben verklaard dat de verdachte plotseling, terwijl de twee minuten stilte al was begonnen, te midden van de menigte zijn armen spreidde en luidkeels schreeuwde "Ahhhh Ahhhh". Getuigen hebben de schreeuw omschreven als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging. Er waren op dat moment duizenden mensen ter plaatse aanwezig. Slechts een gering aantal van hen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was. Voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken. Dat zulks ook feitelijk heeft plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het feit dat (er) mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen. Aldus is het hof van oordeel dat het schreeuwen van de verdachte is aan te merken als een opzettelijk valse alarmkreet waardoor de rust werd verstoord, in de zin van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten aanzien van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende termen "valse alarmkreten" en "opzettelijk".

3.2.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 142, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende begrippen "opzettelijk" en "alarmkreten" zijn kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in deze bepaling. Art. 142, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk door valse alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie."

3.3.

Het Hof heeft ten aanzien van het schreeuwen door de verdachte het volgende vastgesteld:

(i) de verdachte heeft in de twee minuten stilte tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam te Amsterdam luidkeels "Ahhhh, Ahhhh" geschreeuwd;

(ii) getuigen hebben die schreeuw omschreven als een doodskreet en een ijzingwekkende gil;

(iii) voor de duizenden aanwezigen op de Dam die niet konden waarnemen dat de verdachte zonder redelijke aanleiding schreeuwde, kon de kreet alleszins de gedachte aan (dreigend) gevaar opwekken;

(iv) vervolgens zijn mensen inderdaad gaan gillen en/of hebben zij geprobeerd weg te komen omdat zij gevaar vreesden.

Op grond hiervan heeft het Hof het schreeuwen door de verdachte aangemerkt als een valse alarmkreet. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 142, eerste lid, Sr, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

In zoverre faalt het middel.

3.4.

Het middel is evenwel gegrond voor zover het klaagt over de opvatting van het Hof dat het opzet van de dader niet gericht behoeft te zijn op de rustverstoring. In aanmerking genomen dat in de delictsomschrijving het woord "opzettelijk" is geplaatst vóór "de rust verstoort", moet worden aangenomen dat voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 142, eerste lid, Sr is vereist dat de dader opzettelijk de rust heeft verstoord. 's Hofs opvatting geeft dus blijk van een onjuiste uitleg van voormelde bepaling.

3.5.

Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en in het bijzonder de hiervoor onder 2.2 sub 6 weergegeven verklaring van de verdachte moet worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2013.