Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1159

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
12/01734
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Ongeloofwaardige verklaring verdachte. De werkwijze die de Rb i.c. in haar zgn. Promis-vonnis heeft gevolgd t.a.v. de - door het Hof overgenomen - bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende f&o waarop de beslissing steunt dat verdachte het tlgd. heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de Rb heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA0424). In dat opzicht wijkt het vonnis i.c. af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2011:BP8498) betrekking heeft. De Rb heeft in haar bewijsmotivering tot uitdrukking gebracht dat zij geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van verdachte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering f/o weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BF1182).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1377
NJB 2013/2522
NBSTRAF 2013/374 met annotatie van mr. J.A.W. Knoester
SR-Updates.nl 2013-0435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 november 2013

Strafkamer

nr. 12/01734

Arrest

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 2012, nummer 23/002635-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Kuijper en mr. S.J. van der Woude, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

3.2.1.

Het Hof heeft, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, het vonnis van de Rechtbank - met aanvulling van gronden - bevestigd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"1.
op 4 september 2009 te Amsterdam ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing), opzettelijk

- een vuurwapen (revolver opschrift BEL 00057) en

- patronen (.38 en .357 Magnum) en

- bivakmutsen en

- een paar handschoenen en

- een moker en

- ducktape,

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.
op 4 september 2009 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een revolver (opschrift BEL 00057) en munitie van categorie III, te weten patronen (.38 SPE en .357 Magnum), voorhanden heeft gehad;

3.
op 4 september 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,29 gram heroïne."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"3.2. Het oordeel van de rechtbank

3.2.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 heeft begaan op de hieronder zakelijk weergegeven feiten en omstandigheden, die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat. Uit deze bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Op 4 september 2009 te 00.59 uur bevonden verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zich in een opvallend dienstvoertuig op de openbare weg, de Dollingadreef, te Amsterdam.

Daar zagen de verbalisanten een zwarte auto, een Opel Vectra, en op grond van de Wegenverkeerswet besloten de verbalisanten de bestuurder van voornoemde auto te controleren. De verbalisanten zagen dat in de auto vier personen zaten, waarvan een vrouwelijke inzittende op de passagiersstoel aan de voorzijde zat. Na verificatie van het kenteken bleek dat voornoemde auto op naam stond van verdachte. Vervolgens heeft de verbalisant de bestuurder van voornoemde auto aangesproken en hem gevraagd naar zijn rijbewijs en autopapieren. Uit het rijbewijs bleek de bestuurder [betrokkene 1] te zijn genaamd. De bestuurder verklaarde dat de eigenaar van de auto achterin zat. Verbalisant zag dat [betrokkene 1] met de hand in de richting van een passagier, verdachte, wees, die op de achterbank zat aan de bijrijderzijde, en dat deze passagier een etui van de grond pakte, hieruit het kentekenbewijs haalde en daarbij zijn rijbewijs overhandigde.

Vervolgens zag de verbalisant dat de inzittende op de achterbank, aan de bestuurderszijde, een nerveuze indruk maakte, waarop de verbalisant hem ambtshalve als [betrokkene 2] herkende.

Hierop werden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter zake van hun signaleringen aangehouden.

Verdachte vroeg vervolgens aan de verbalisant of hij de onbekend gebleven mevrouw, die als passagier op de voorstoel in de auto zat, naar huis mocht brengen. De verbalisant stemde daarmee in, waarna verdachte en de onbekend gebleven mevrouw de auto verlieten.
[betrokkene 2] werd aan een veiligheidsfouillering onderworpen, waarbij in de broekzak een vuurwapen werd aangetroffen. Dit vuurwapen bleek bij later onderzoek half geladen te zijn. Bij het uitstappen van [betrokkene 2] zag de verbalisant een zwart schoudertasje op de achterbank ter hoogte van de middenarmsteun liggen. De verbalisant zag door de opening van het tasje een zilverkleurig metalen voorwerp liggen. De verbalisant tilde het tasje op en zag direct dat het een revolver betrof. In het tasje werd ook nog een Achmea personeelspas aangetroffen op naam van verdachte.

Vervolgens is de auto veiliggesteld en aan een nader onderzoek onderworpen.

Dit onderzoek heeft de volgende goederen opgeleverd:

- voor bestuurdersstoel (zitplaats [betrokkene 1]) een Puma rugzak, inhoudende:

1 bivakmuts;
1 met doek omwikkelde moker;
1 met ducktape omwikkelde handdoek.

bij de passagier achter bestuurder (zitplaats [betrokkene 2])op de grond:
2 bivakmutsen;
1 paar dunne stoffen zwarte handschoenen.

- bij de passagier naast [betrokkene 2] op achterbank (zitplaats verdachte) op de grond:

1 grijze zogenoemde wielrenhandschoen;
1 rol ducktape;
1 kluwen ducktape.

- middenarmsteun achterbank (ruimte tussen verdachte en [betrokkene 2]):

1 zwart tasje met een zilverkleurige revolver;
1 plastic zakje met 3 .38 patronen en 2 .357 magnum patronen;
1 personeelspas van Achmea op naam van verdachte.
Naast dit tasje lag een paar dunne handschoenen.

- kofferbak:

zwarte tas merk Puma met daarin blauwe rugtas met daarin:
1 poloshirt, 1 trui en 1 baseballcap in de kleuren van en met logo van TNT.

- muntbakje voorzijde voertuig:

1 wikkel met daarin heroïne gelijkende stof.

Alle genoemde goederen zijn inbeslaggenomen. Het vuurwapen en patronen zijn onderzocht door een taakaccenthoudende Wet wapens en munitie, waaruit is gebleken dat het vuurwapen een revolver betreft van categorie III en de munitie patronen betreft van categorie III.

De wikkel met vermoedelijk heroïne is opgestuurd naar deskundige drs. R. Jellema, waar is gebleken dat deze wikkel 0,29 gram heroïne bevat. De verdachte verklaart dat de in de auto gevonden wikkel met heroïne van hem is en ook de tas waar de revolver inzat, maar de revolver niet. Verdachte voelde wel dat de tas zwaarder was dan anders. Verdachte verklaart over de personen in zijn auto dat hij hen niet echt bij naam kent en hen ook nog niet zo lang kende. Verdachte weet niet hoe al die spullen in zijn auto zijn gekomen. Wat betreft de bivakmuts verklaart verdachte dat hij die eens eerder heeft gezien bij een rapper die hij door het hele land had rondgereden naar optredens. Daarbij zegt verdachte dat hij zijn auto vaak aan anderen heeft uitgeleend.

3.2.2

Nadere bewijsoverweging

(...)
Bij de beantwoording van de vraag of verdachte deze voorwerpen opzettelijk aanwezig heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat de auto, waarin de voorwerpen zijn aangetroffen, op naam is gesteld van verdachte en verdachte ten tijde van het aantreffen van die voorwerpen ook in de auto zelf ook aanwezig was. Uitgangspunt is dat verdachte in beginsel verantwoordelijk kan worden gehouden voor voorwerpen, die zichtbaar, dan wel minder zichtbaar in de auto aanwezig zijn. Voorts acht de rechtbank de redenen die verdachte heeft opgegeven om het voorhanden hebben van de revolver en de andere voorwerpen te verklaren ("de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen") niet geloofwaardig. Dit brengt mee dat verdachte de betreffende voorwerpen opzettelijk aanwezig heeft gehad."

3.3.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de verklaring van de verdachte, die in de bewijsmotivering als volgt is weergegeven:

"de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen."

en die door haar niet geloofwaardig is geacht, ten onrechte onder "de bewijsmiddelen" heeft opgenomen.

3.4.

De werkwijze die de Rechtbank in de onderhavige zaak in haar zogenoemde Promis-vonnis heeft gevolgd ten aanzien van de - door het Hof overgenomen - bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de Rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387). In dat opzicht wijkt het onderhavige vonnis af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8498 betrekking heeft.

3.5.

De Rechtbank heeft in haar bewijsmotivering tot uitdrukking gebracht dat zij geen geloof heeft gehecht aan de onder 3.3 weergegeven verklaring van de verdachte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden - hier de inhoud van voormelde verklaring van de verdachte - weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182, NJ 2008/612).

3.6.

Het middel faalt.

4 Slotsom

De Advocaat-Generaal heeft wegens gegrondbevinding van het derde middel geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Zij heeft zich niet uitgelaten over het tweede middel. De Hoge Raad is van oordeel dat zij daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verwijst de zaak naar de rol van 19 november 2013;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 12 november 2013.