Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1158

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
12/02173
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:6560, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1160, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Unus testis, nullus testis. De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. art. 342.2 Sv. Het Hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van X te vinden is in de overige getuigenverklaringen. I.c. kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van X onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342.2 Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 342
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2520
RvdW 2013/1432
NJ 2014/252 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2013/375 met annotatie van mr. J.A.W. Knoester
SR-Updates.nl 2013-0436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 november 2013

Strafkamer

nr. 12/02173

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 december 2011, nummer 20/002946-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op tijdstippen in de periode van 13 november 2007 tot en met 1 januari 2009 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen zijn, verdachtes, tong in de mond en de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- meermalen aan de vagina van [slachtoffer] gelikt/gezogen en over de vagina van [slachtoffer] gewreven en

- meermalen [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis doen vasthouden en aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en

- meermalen met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van [slachtoffer] gelegen."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8.

3.3.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).

3.4.

Het Hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van [slachtoffer] te vinden is in de verklaringen van haar moeder ([betrokkene 1]), haar vader ([betrokkene 2]), [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en in de verklaring van de verdachte zelf.
In het onderhavige geval kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2013.