Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1154

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
11/03345
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1156
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende klacht dat het Hof "inbreuk heeft gemaakt op het onmiddellijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces" door tegenover politieambtenaren afgelegde verklaringen van medeverdachten, die door dezen t.o.v. de Rh-C zijn herroepen, voor het bewijs te bezigen zonder deze personen als getuigen ttz. te hebben gehoord. Het Hof heeft geoordeeld dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van X en Y voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder hen ttz. in h.b. te hebben gehoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat hun verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs van het verdachte tlgd. en bewezenverklaarde medeplegen van schuldheling, nu de betrokkenheid van verdachte in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1364
NJB 2013/2521
SR-Updates.nl 2013-0431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 november 2013

Strafkamer

nr. 11/03345

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 juli 2011, nummer 22/004805-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat bewijsmiddel 7 verbeterd wordt gelezen, dat wordt geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het Hof "inbreuk heeft gemaakt op het onmiddellijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces" door tegenover politieambtenaren afgelegde verklaringen van medeverdachten, die door dezen ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn herroepen, voor het bewijs te bezigen zonder deze personen als getuigen ter terechtzitting te hebben gehoord.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met 05 februari 2009, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een personenauto (merk Fiat, kenteken [AA-00-BB]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van voorhanden krijgen van die personenauto redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof."

2.2.2.

Voor de bewijsvoering wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3 en 3.4.

2.2.3.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegenover de politie weliswaar belastende verklaringen hebben afgelegd, doch dat zij in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris zijn teruggekomen op deze eerder afgelegde belastende verklaringen, zodat het hof zo het deze verklaringen voor het bewijs zou willen bezigen, hen ter terechtzitting als getuige dient te horen. Nu dit niet is geschied en voldoende steunbewijs ontbreekt, dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat het de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het bewijs bezigt, zonder hen ter terechtzitting in hoger beroep te hebben gehoord, nu de bedoelde verklaring van [betrokkene 1] bij de politie respectievelijk die van [betrokkene 2] niet het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks volgt. Daargelaten nog dat die betrokkenheid uit hun beider verklaringen bij de politie volgt, volgt die in elk geval ook uit de verklaring van [betrokkene 3]."

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder hen ter terechtzitting in hoger beroep te hebben gehoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bruikbaar zijn voor het bewijs van het de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde medeplegen van schuldheling van een Fiat Panda, nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, in het bijzonder de inhoud van de onder 7 als bewijsmiddel gebezigde verklaring van [betrokkene 3]. In aanmerking genomen dat het bedoelde bewijsmiddel inhoudt dat [betrokkene 3] de verdachte in de week voorafgaand aan 8 februari 2009 heeft zien rijden in een kleine zwarte auto, terwijl hij wist dat de verdachte geen auto heeft, en dat het een feit van algemene bekendheid is dat een Fiat Panda valt aan te merken als een kleine auto geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

2.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2013.