Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1117

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
11/03481
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:BR2454, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1128, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verbetert de kwalificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 november 2013

Strafkamer

nr. 11/03481

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 juli 2011, nummer 24/002196-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de kwalificatie en de strafoplegging, tot verbetering van de kwalificatie en tot vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat het Hof het bewezenverklaarde onder 1, voor zover betrekking hebbend op het voorhanden hebben van 21 scherpe patronen, ten onrechte heeft gekwalificeerd als "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", aangezien het bewezenverklaarde slechts één overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod oplevert.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 11 juni 2010 in de gemeente Deventer een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, een revolver, en munitie van categorie III, telkens als bepaald in de Wet wapens en munitie, te weten 21 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad."

3.3.

In het bestreden arrest heeft het Hof het onder 1 bewezenverklaarde aldus gekwalificeerd:

"(...)

ten aanzien van de munitie:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd."

3.4.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.2 is het middel terecht voorgesteld, maar kan met verbetering van de kwalificatie worden volstaan.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

5 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde ten aanzien van de munitie en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

kwalificeert het onder 1 bewezenverklaarde in zoverre als "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie";

vermindert de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2013.