Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:1030

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
09/04235
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:775, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:2217, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Verjaring rechtsvordering onregelmatige opzegging en kennelijk onredelijk ontslag; art. 7:683 BW. Stuiting? Uitleg stellingen. Slagende motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/1292
NJB 2013/2306
JWB 2013/511
JAR 2013/281
AR-Updates.nl 2013-0826
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2013

Eerste Kamer

nr. 09/04235

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J.D Bakker, thans mr. A.H.H. Vermeulen,

t e g e n

DE GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelende te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 725201 van de kantonrechter te Rotterdam van 11 juli 2006 en 3 juli 2007;

b. het arrest in de zaak 105.007.150/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 juni 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de Gemeente is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en mr. C.S.G. Janssens, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging van het arrest van het hof van 16 juni 2009 en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Gemeente (dienst Werkstad) neemt in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden jongeren, uitkeringsgerechtigden, en langdurig werklozen in dienst en detacheert hen bij inleners, met als doel het versterken van de positie van deze personen op de reguliere arbeidsmarkt. In dit kader is [eiser] op basis van een “Arbeidsovereenkomst Wiw 2jr” per 1 december 2003 voor de duur van twee jaar bij de Gemeente in dienst getreden.

(ii) Op 16 juni 2005 hebben twee medewerkers van de Gemeente [eiser] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van één maand zou worden beëindigd per 31 juli 2005. De Gemeente heeft dit bij aangetekende brief van 16 juni 2005 aan [eiser] bevestigd.

(iii) Bij brief van 30 juni 2005 heeft de gemachtigde van [eiser] primair de vernietigbaarheid van deze opzegging en subsidiair de kennelijke onredelijkheid van het ontslag ingeroepen. Voorts is herstel van de dienstbetrekking gevorderd.

(iv) Vervolgens heeft enige correspondentie tussen partijen plaatsgevonden, waarbij de ingenomen standpunten zijn gehandhaafd.

3.2.1

[eiser] vordert in dit geding veroordeling van de Gemeente tot het betalen van schadevergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag en onregelmatig ontslag, alsmede van bedragen ter zake van het verschil tussen het loon en de ontvangen WW-uitkering en ter zake van verlofuren, overuren, reiskosten en buitengerechtelijke kosten.

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.
Hij overwoog dat het gaat om een vordering tot nakoming van een (schadevergoedings)verbintenis die op grond van art. 7:683 BW verjaart na zes maanden en die valt onder de werking van art. 3:317 lid 1 BW. De kantonrechter overwoog vervolgens dat ook indien de door [eiser] overgelegde brieven de verjaring van zijn vordering al hadden gestuit, de vordering vervolgens toch is verjaard, nu [eiser] meer dan zes maanden na de laatste brief kennelijk geen stuitingshandeling meer heeft verricht.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4. Het hof leest de eerste en derde alinea van de toelichting op grief 1 aldus dat [eiser] niet grieft tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen tot vergoeding van schade op grond van art. 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag, vordering A en C) en/of de betaling van een vergoeding ex art. 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding, vordering B) verjaard zijn ingevolge art. 7:683 BW. (…)”.

3.3.1

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat [eiser] geen grieven heeft gericht tegen het door het hof in rov. 4 weergegeven oordeel van de kantonrechter.

Het middel is gegrond.

3.3.2

De eerste grief van [eiser] strekte, gelet op de toelichting bij die grief, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7, ten betoge dat de kantonrechter weliswaar terecht heeft overwogen dat art. 7:683 BW van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen van de art. 7:681 en 7:677 BW, maar dat dit niet geldt voor de vorderingen ter zake van verlofuren, overuren, reiskosten en buitengerechtelijke kosten, alsook dat de kantonrechter ten onrechte aan laatstbedoelde vorderingen is voorbijgegaan.

Met zijn tweede grief is [eiser] opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de schadevergoedingsvorderingen van de art. 7:681 en 7:677 BW ingevolge art. 7:683 BW zijn verjaard. Blijkens de toelichting, zoals eveneens weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7, is de grief gericht tegen de overweging dat [eiser] “meer dan zes maanden na de laatste brief kennelijk geen stuitingshandelingen meer heeft verricht”, in welk verband [eiser] in de toelichting bij de grief heeft aangevoerd dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan de brief van 14 februari 2006.

Het oordeel van het hof dat [eiser] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de op de art. 7:681 en 7:677 BW gebaseerde vorderingen ingevolge art. 7:683 BW zijn verjaard, is onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de grieven 1 en 2, gelezen in onderling verband en in samenhang met de bij die grieven gegeven toelichtingen, temeer nu de Gemeente blijkens haar memorie van antwoord deze grieven heeft opgevat in de door [eiser] bedoelde zin. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen voor onderzoek of stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 16 juni 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 241,59 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 25 oktober 2013.