Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY5685

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
12/03811 H
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9079
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/82

Uitspraak

11 december 2012

Strafkamer

nr. S 12/03811 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 juni 2011, nummer 20/003227-10, ingediend door mr. T. Kemper, advocaat te Oss, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 augustus 2010 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van gijzeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en de aanvrager de betalingsverplichtingen opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvraag

3.1. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 19 november 2009 tot en met 20 november 2009 te Boxtel en Oirschot tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1995), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [betrokkene 1], te dwingen iets te doen immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- voornoemde [slachtoffer] bij zijn jas en het stuur van zijn fiets vastgepakt en

- een vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer] gezet en voorgehouden en

- vervolgens [slachtoffer] meegetrokken en/of meegeduwd en

- meerdere malen een stroomstootwapen/teasergun tegen het lichaam van [slachtoffer] gehouden en daarmee [slachtoffer] meerdere stroomstoten gegeven en

- [slachtoffer] een auto/busje ingeduwd en

- bij [slachtoffer] een panty en een bivakmuts over zijn hoofd getrokken en

- de handen van [slachtoffer] op zijn rug vastgeplakt en

- [slachtoffer] vervoerd naar een bosperceel en

- [slachtoffer] op meerdere plaatsen in het bosperceel doen plaatsnemen en

- [betrokkene 1] gebeld met de mededeling dat zijn zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], is ontvoerd en dat zij zijn zoon [slachtoffer] hebben en dat het hem 1,5 miljoen euro zou kosten, althans woorden van gelijke strekking."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover hier van belang, op de volgende bewijsvoering:

"Betrokkenheid van de verdachte

VIII. De verklaringen van [betrokkene 2]

De broer van de verdachte, [betrokkene 2], heeft tijdens tegenover de politie verklaard dat hij de gijzeling samen met de verdachte en een Marokkaan heeft begaan. Uit zijn verklaringen kan worden opgemaakt dat de verdachte op de (eerste) dag van de gijzeling aan [betrokkene 2], terwijl deze met de Marokkaan stond te wachten, een sms-bericht heeft verzonden om te zeggen dat 'hij eraan kwam'. [Betrokkene 2] was in de veronderstelling dat daarmee werd gedoeld op [betrokkene 1], maar al snel realiseerde hij zich dat het een van diens kinderen was.

Voor [betrokkene 2] maakte dat weinig verschil: hij ging er gewoon voor. De handen van [slachtoffer] werden vastgetapet en over zijn hoofd werd een panty getrokken. Zij, dat wil zeggen [betrokkene 2], de Marokkaan en [slachtoffer] zijn vervolgens richting Oirschot gereden.

De verdachte is met de auto van [betrokkene 2] daar naar toe gereden en [slachtoffer] werd vervolgens bij de verdachte achtergelaten. Nadat de Amerikaanse auto, waarin [slachtoffer] was vervoerd, even verderop in brand was gestoken, zijn [betrokkene 2] en de Marokkaan terug naar Boxtel gereden. Daar heeft [betrokkene 2] gebeld naar [betrokkene 1] om hem mede te delen dat [slachtoffer] was ontvoerd en dat het anderhalf miljoen euro kostte. De Marokkaan is uitgestapt en [betrokkene 2] is naar zijn woning gereden. Later hoorde [betrokkene 2] van de verdachte dat de cassetterecorder kapot was gegaan, dat de Marokkaan hem 's nachts niet meer kon vinden en dat hij daarom maar naar huis is gegaan. Zijn verklaringen houden met betrekking tot het voorgaande het volgende in.

"Op 19 november 2009 [...] ben ik naar Boxtel gegaan. [...] Ik ben toen naar die Marokkaan gegaan. Hij sms'te toen naar [aanvrager] (het hof begrijpt: de verdachte [aanvrager]) dat ik er was. Wij zijn toen naar de Handelsstraat gegaan. Zij wisten dat [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) weleens tussen 18.30 uur en 19.00 uur op de fiets wegging. Wij zijn daar omstreeks 18.15 uur naar de Handelstraat gegaan. Ik parkeerde de auto vlakbij de brandgang, met de schuifdeur naar de kant van de brandgang. [...]

Op een gegeven moment kreeg ik een sms'je van [aanvrager] dat hij eraan kwam. Wij zijn toen snel de auto uitgegaan. Wij zijn toen naar het einde van de brandgang gegaan. Ik ben achter de Marokkaan gaan staan. [...] Ik hoorde dat die Marokkaan zei: 'Daar is hij'. Ik zag dat die Marokkaan gelijk de persoon op de fiets pakte. [...] Ik zag dat die persoon een capuchon over zijn hoofd had. Ik had een teasergun in mijn handen. Die Marokkaan had een pistool in zijn handen. Ik heb in de brandgang de teasergun op de rug bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) gedaan. Ik was in de veronderstelling dat het [betrokkene 1] was. Hij ging nog op zijn fiets een stuk mee, met zijn hoofd naar beneden. Ik hoorde dat de Marokkaan nog zei: 'Shut up, shut up' en hij liet hierbij het vuurwapen zien aan [slachtoffer]. [...] Op het einde van de brandgang, viel de fiets en pakten wij [slachtoffer] beet en zetten hem in de auto.

Wij legden [slachtoffer] tussen de voorstoelen en de bank. [...] Ik was [...] de chauffeur. [...] In de auto pakte de Marokkaan de telefoon van [slachtoffer] af. Op het einde van de brandgang wist ik dat het niet [betrokkene 1] was, die we te pakken hadden. Het maakte mij op dat moment ook niet uit, wie het was. Ik ging er gewoon voor. [...] Ik ging ervan uit dat het dan een van zijn kinderen was, omdat [aanvrager] had doorgegeven dat [betrokkene 1] eraan kwam. Ik vroeg zachtjes aan die Marokkaan de pincode van de telefoon van [slachtoffer]. Ik kreeg de telefoon van die Marokkaan in mijn handen. [...] [Slachtoffer] gaf het telefoonnummer van zijn vader. [...] [Slachtoffer] is ook nog vastgebonden (gelet op de aangifte en de in beslag genomen tape begrijpt het hof: vastgetapet) door die Marokkaan. Met zijn handen op zijn rug, tape om zijn jas, ter hoogte van zijn polsen op zijn jas, op zijn rug. Op het moment dat wij bijna op de plek waren waar wij naar toe moesten, lag [slachtoffer] op zijn buik, met een panty op zijn hoofd en zijn handen vastgebonden met tape op zijn rug. [...] Ik hoorde dat er op zijn Engels gesproken werd door de Marokkaan en volgens mij antwoordde [slachtoffer] op zijn Engels terug."

"We [zijn] [...] richting Oirschot gereden. [...] We hebben een sms'je gestuurd naar [aanvrager] en die heeft toen mijn auto gehaald, mijn Citroën, en die is daar [ook] naar toe gereden."

"Op de plaats van bestemming [...] [ben ik] meteen uitgetapt en ik zag dat die Marokkaan met [slachtoffer] er ook al uit was. Ze zijn er door de schuifdeur uitgekomen. Ik zag dat [slachtoffer] een panty op zijn hoofd had. [...] [Slachtoffer] zat op zijn knieën langs de auto. [...] [Aanvrager] [...] zou een bandje opnemen. Ik had van het bandje en de cassetterecorder al eerder tijdens een bespreking in het schuurtje gehoord. Dat hadden die Marokkaan en [aanvrager] al besproken en ik kreeg dat dus te horen. [...]

Ik denk dat ik binnen een paar minuten [ben] weggegaan. Ik ben in mijn eigen auto gestapt en die Marokkaan is in de Amerikaan (het hof begrijpt: de Amerikaanse auto) gestapt. We zijn toen rechtsaf gereden, eerste links en daar stopten we. [...] Die Marokkaan heeft benzine in de auto gegooid en een lange lijn gemaakt en deze in brand gestoken. [...] Die Marokkaan is toen bij mij ingestapt en ik reed [...] terug. [...]

Op de hoek van de Puccinistraat en de Albinonistraat te Boxtel, moest ik die Marokkaan afzetten. Er was afgesproken dat we naar [betrokkene 1] zijn huis moesten bellen. Toen wij daar in de straat waren, heb ik mijn telefoon aangezet en ben ik gaan bellen met de vader van [slachtoffer]. Ik had het nummer opgeslagen. Het gesprek met [betrokkene 1] was kort. Ik hoorde dat hij opnam met 'ja hallo'. Ik vroeg hem wie ik aan de lijn had en ik hoorde dat hij zei van 'ja je belt mij toch'. Ik zei hem dat ik zijn zoon had ontvoerd en dat kost anderhalf miljoen. Hij maakte toen een opmerking of hij in maandelijkse termijnen kon betalen. Toen heb ik de verbinding verbroken en de telefoon uitgezet. [...] Die Marokkaan is uitgestapt en ik ben naar Geldrop gereden. [...]

Na het weekeinde hoorde ik van [aanvrager] wat er gebeurd was. [...] Ik hoorde van [aanvrager] dat de cassette kapot was gegaan. Ik hoorde dat [aanvrager] met die Marokkaan had afgesproken dat ze het bandje over zouden geven."

"Die Marokkaan zou nog terugkomen. [...] Maar omdat [aanvrager] naar een andere plaats was gelopen, als dat wij hem (het hof begrijpt: [slachtoffer]) afhadden gezet, wist die Marokkaan niet precies waar hij moest zijn en is hij daar een keer rondgereden. [...] En 's morgens is hij naar huis toe gegaan, [aanvrager], en die heeft [slachtoffer] daar achtergelaten."."

3.2.3. Aangaande het door de verdediging gevoerd verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde dienen te worden gesteld, heeft het Hof het volgende overwogen:

"Evenals de raadsman heeft het hof geconstateerd dat [betrokkene 2] in de onder VIII. bedoelde verklaringen op bepaalde onderdelen van standpunt is gewisseld. Het hof zal daarom de vraag dienen te beantwoorden in hoeverre die verschillen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen aantasten.

Bij nadere bestudering is het hof gebleken dat met beide verklaringen in essentie steeds de volgende lezing naar voren is gebracht.

De aanleiding voor de gijzeling was een mislukte ripdeal. De verdachte heeft hem namelijk verteld dat hij in 2008 een wietplantage van [betrokkene 1] had willen rippen, maar dat dit mislukt was. Het plan is toen opgevat om [betrokkene 1] te ontvoeren en de verdachte had [betrokkene 2] gevraagd of hij mee wilde doen en zo wat geld wilde verdienen.

[Betrokkene 2] is op enig moment met de verdachte meegegaan naar een garagebedrijf in de buurt van Waalwijk om daar een auto op te halen. Voor een bedrag van EUR 175,00 kon de auto op naam van een katvanger worden gezet. Omdat de katvanger er toen niet was, kon de auto niet worden meegenomen en heeft [betrokkene 2] die op een later tijdstip met de Marokkaan opgehaald. De Marokkaan is met de gekochte auto (een Amerikaans auto) naar Boxtel gereden, terwijl [betrokkene 2] met zijn eigen auto naar huis is gereden.

[Betrokkene 2], de Marokkaan en de verdachte hebben meerdere keren bij de woning van [betrokkene 1] gepost. Op die momenten kwamen zij bij elkaar in de schuur van de Marokkaan om te spreken over de wijze waarop de ontvoering zou moeten plaatsvinden.

Op 19 november 2009 was het de verdachte die bij de woning van [betrokkene 1] stond te posten, terwijl [betrokkene 2] en de Marokkaan zich hadden opgesteld aan het einde van de brandgang. De verdachte had [betrokkene 2] wel eens verteld dat [betrokkene 1] vaak met de fiets wegging. Nadat [betrokkene 2] van de verdachte een sms-bericht had ontvangen met daarin de tekst 'Hij komt eraan', hebben hij en de Marokkaan de fietser in de brandgang overmeesterd. Hij heeft daarbij een teasergun gebruikt en de Marokkaan heeft een pistool getoond. Hij merkte toen wel dat het in plaats van [betrokkene 1] een jongen was, maar dat maakte hem niet veel uit. In opdracht van de verdachte werd de jongen, die [slachtoffer] bleek te zijn, naar een bosperceel gebracht. De verdachte is eveneens naar dat bosperceel gereden en wel met de auto van [betrokkene 2]. Na [slachtoffer] bij de verdachte te hebben achtergelaten, is [betrokkene 2] met zijn eigen auto en de Marokkaan met de Amerikaanse auto naar een plaats iets verderop gereden. Daar heeft de Marokkaan de Amerikaanse auto in brand gestoken. [Betrokkene 2] heeft de Marokkaan vervolgens terug naar Boxtel gebracht. Daar heeft [betrokkene 2] naar [betrokkene 1] gebeld om hem te zeggen dat zijn zoon was ontvoerd en dat het anderhalf miljoen euro zou gaan kosten.

Daarna is hij naar zijn woning in Geldrop gereden. Volgens [betrokkene 2] was vooraf besproken dat zijn rol daartoe beperkt zou blijven. De overige handelingen zouden door de Marokkaan en de verdachte worden verricht.

De verdachte zou een bandje opnemen en dat op een later tijdstip aan de Marokkaan meegeven. De verdachte had ook gerekend op een houten hok dat in het bosperceel aanwezig zou zijn en waarin hij met de gegijzelde kon verblijven, maar dat bleek er naderhand niet meer te zijn. Voor het ophalen van het losgeld had de verdachte bovendien een brommertje geregeld en een route uitgestippeld. [Betrokkene 2] hoorde achteraf van de verdachte dat hij naar huis was gelopen en [slachtoffer] in het bos heeft achtergelaten.

Verdere bijzonderheden, zoals die door het hof als bewijs zijn gebezigd, bevreemden het hof niet. De verschillen tussen de verklaringen zijn naar het oordeel van het hof van ondergeschikte aard. Daarbij merkt het hof op dat de leugen, zoals [betrokkene 2] dat zelf ter terechtzitting van de rechtbank noemde, dat er vier personen bij de gijzeling betrokken waren, beperkt is gebleven tot de voorbereidingen van de gijzeling. Met betrekking tot de uitvoering van de gijzeling heeft hij immers steeds over drie personen gesproken, te weten over zichzelf, de Marokkaan en de verdachte. Op de vraag op welke wijze de vierde persoon daaraan heeft deelgenomen, verklaarde [betrokkene 2] zonder omhaal van woorden dat die persoon er die avond niet bij was. Voor de omstandigheid dat [betrokkene 2] geen glasheldere verklaring over de identiteit van de Marokkaan heeft afgelegd, zijn allerlei redenen denkbaar. De rol van deze derde gijzelnemer heeft [betrokkene 2] echter, anders dan de raadsman meent, uitvoerig in zijn verklaringen beschreven. Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat de wijze waarop [betrokkene 2] zijn verklaringen tegenover de politie heeft afgelegd, niet maakt dat die verklaringen als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt.

Het feit dat hij die verklaringen bij de rechter-commissaris heeft ingetrokken voor zover het de betrokkenheid van de verdachte aangaat, kan dat niet anders maken. Bij de behandeling van het onderzoek in eerste aanleg heeft hij immers onder ede verklaard dat hij in het huis van bewaring werd bedreigd en van de verdachte een brief had gekregen om op die wijze te verklaren. Daarom had hij bij de rechter-commissaris niet naar waarheid verklaard. Enkele dagen na het afleggen van deze verklaring, heeft hij die brief ook aan de politie overgedragen. Daar komt bij dat het hof de raadsman niet volgt in zijn stelling dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring op gelijke wijze bevestiging vindt in de bewijsmiddelen als de tegenover de politie afgelegde verklaringen. Die stelling gaat immers mank, nu de hierna te bespreken bewijsmiddelen over de betrokkenheid van de verdachte daarmee onverenigbaar zijn."

3.2.4. De door het Hof bedoelde verklaring van [betrokkene 2] bij de Rechter-Commissaris houdt onder meer het volgende in:

"Mijn eerdere verklaringen kloppen niet. Dat wil zeggen mijn aandeel klopt wel, maar niet het aandeel van mijn broer. Ik heb dat verzonnen in verband met privé aangelegenheden. Ik dacht dat mijn broer een relatie had met mijn inmiddels ex-vriendin. Ik kende de details van de zaak goed en het was voor mij dan ook heel makkelijk om die verklaring zo af te leggen.

(...)

U vraagt mij of hetgeen ik bij de politie heb verklaard over de lange Marokkaan die woonachtig is op de [a-straat] wel klopt. Wat ik heb verklaard over hem klopt wel, maar ik heb vorige week een foto gezien. Daar heb ik hem niet eens op herkend. Ik weet zijn naam ook niet.

(...)

U vraagt mij hoeveel mensen er nu bij de ontvoering betrokken zijn geweest. Er zijn drie mensen bij betrokken geweest; ik en de twee Marokkanen."

3.3.1. In de aanvraag wordt aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken, indien het bekend zou zijn geweest met de bij de aanvraag gevoegde verklaring van [betrokkene 2] van 28 maart 2012 en de aanvulling daarop van 3 juni 2012.

3.3.2. De bij de aanvraag gevoegde verklaring van [betrokkene 2] van 28 maart 2012, houdt in:

"Mijn verklaringen bij politie en justitie zijn niet naar waarheid afgelegd.

Ik heb de naam [aanvrager] alleen gebruikt, omdat ik heel erg boos was op [aanvrager]. [Aanvrager] had seks gehad "div. keren met mijn ex-vriendin [betrokkene 3]". Ik kon dit niet verwerken en heb toen alles heel goed bedacht, op een manier als deze kon ik hem terugpakken, om mijn pijn te verzachten. Maar nu na 2 jaar is de pijn niet verzacht maar erger geworden, dit omdat ik de naam van mijn broer [aanvrager] heb gebruikt. Nu zie ik achteraf pas hoeveel schade ik heb aangericht in mij en mijn eigen familie. [aanvrager] is totaal onschuldig van de ontvoeringszaak "[slachtoffer]". Door het vele blowen kon ik niet meer goed nadenken.

(...)

Als je [aanvrager] zijn naam vervangt naar een Marokkaan dan was het voor mij niet zo moeilijk om zijn naam telkens te gebruiken. Ik wil nu het hele verhaal doen wie wat deed en wie welke rol had. Ik "[betrokkene 2]" heb vele malen verschillende verklaringen afgelegd tegen mijn broer [aanvrager]. Het schuldgevoel wat ik heb is te groot geworden en ik wil om die redenen de werkelijke waarheid vertellen, wat betreft de zaak van de ontvoering "[slachtoffer]". De beschuldigingen naar [aanvrager] toe had in het geheel alleen te doen met mijn ex "[betrokkene 3]" waar mijn broer iets mee had. De wrok die ik had tegen [aanvrager] was groot de leugens over [aanvrager] en de valse beschuldiging naar heb toe. Ik heb in het verleden meer beschuldigingen naar mijn broer gedaan vandaar dat ik dit makkelijk kon. Mijn verstandhouding naar [aanvrager] toe was slecht al liet ik dit nooit merken aan hem. Ik heb de ontvoering gedaan samen [betrokkene 4] en zijn broer "lange"."

3.4. Van het in de aanvraag aangevoerde kan niet worden gezegd dat de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken, daarmee niet bekend was. De bij de aanvraag gevoegde verklaring van [betrokkene 2], de broer van de aanvrager, houdt wat betreft de rol van de aanvrager in het gepleegde delict en het motief van de broer om de aanvrager te belasten in de kern genomen hetzelfde in als de door de broer bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring. Nu het proces-verbaal houdende die verklaring deel uitmaakte van het dossier, was het Hof bekend met dit gegeven.

3.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 december 2012.

Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.