Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY5326

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11/03789
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY5326
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet zwaar lichamelijk letsel verbalisanten. De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit HR LJN BI4736. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof geoordeeld dat "verdachte zich willens en wetens [heeft] blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de verbalisanten zou aan- of overrijden", dat hij die kans blijkens zijn handelen ook welbewust heeft aanvaard en dat er daarom sprake is geweest van opzet bij verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het Hof daarbij kennelijk heeft geoordeeld dat het om een kans ging die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten, is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het Hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld m.b.t. de omstandigheden van het geval, meer i.h.b. m.b.t. hetgeen is gebleken bij de gehouden reconstructie. Ook het oordeel dat verdachte die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard, is toereikend gemotiveerd. In de bewijsoverweging ligt immers besloten dat het naar het oordeel van het Hof niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de verbalisanten zich achter zijn auto bevonden, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld m.b.t. hetgeen zich direct voorafgaand aan het "incident" heeft voorgedaan, de omstandigheid dat het Hof de andersluidende verklaring van verdachte over de plaats waar de verbalisanten zich bevonden ongeloofwaardig heeft bevonden en de verwijzing van het Hof naar de verklaring van verdachte in h.b. dat hij de agenten niet dood wilde hebben, maar dat hij wilde voorkomen dat hij werd aangehouden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/3 met annotatie van C.J. van Eekelen
RvdW 2013/128
NJ 2013/55

Uitspraak

18 december 2012

Strafkamer

nr. S 11/03789

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 12 juli 2011, nummer 21/002298-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft feit 1 van parketnummer 16/604456-06 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof in de zaak met parketnummer 16/604456-06 met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit dat er een aanmerkelijke kans was dat het gevolg zou kunnen intreden en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof in de zaak met parketnummer 16/604456-06 onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 14 oktober 2006 te Kockengen, gemeente Breukelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] (agent van politie Utrecht, district Rijn en Venen) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Utrecht, district Rijn en Venen), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een personenauto, (na achtervolging van hem, verdachte, door voornoemde politieagenten) achteruit is gereden, terwijl op dat moment voornoemde politieagenten zich op (zeer) korte afstand achter zijn, verdachtes voertuig bevonden, waardoor voornoemde politieagenten opzij moesten springen om niet aan- of overreden te worden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 zijn weergegeven.

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Ten aanzien van het onder 1 primair (poging doodslag althans zware mishandeling) en subsidiair tenlastegelegde (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) in de zaak met voornoemd parketnummer heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Volgens de raadsman kan het bestanddeel opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vanaf het eerdergenoemde fietspad reed verdachte een bouwlocatie van de aanleg van de Rijksweg A2 op. Op dit terrein lag een zandheuvel van ongeveer tien meter hoog met een vrij steile oprit. Verdachte reed met zijn Suzuki de zandheuvel op. Verbalisanten [verbalisant 1 en 2] voornoemd reden achter hem aan, maar zagen dat hun voertuig snel snelheid verloor. Zij stapten beiden uit hun dienstvoertuig en renden achter de auto van verdachte aan. De auto van verdachte kwam vervolgens bijna bovenaan de zandheuvel tot stilstand. Verbalisant [verbalisant 1] was de auto tot op ongeveer vijf meter genaderd toen hij zag dat de achteruit-verlichting van de auto van verdachte aanging en de auto achteruit kwam rijden. [Verbalisant 1] is vervolgens een verhoging opgesprongen om te voorkomen dat hij werd aangereden. Als hij niet opzij was gesprongen, was de auto over hem heengereden, aldus [verbalisant 1]. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij vanwege het mulle zand in het linkerwielspoor van de auto liep. Toen de auto van verdachte achteruit kwam rijden, is ook hij opzij gesprongen omdat de auto recht op hem af kwam.

Er heeft op 25 juni 2007 een reconstructie plaatsgevonden van het "zandheuvel-incident".

Hierbij werd geconcludeerd dat voornoemde verbalisanten op een afstand van 4,4 meter en 7,4 meter achter de Suzuki stonden. Uit de proefnemingen bleek dat het voertuig op een afstand van 4,4 meter na het wegrijden vanaf die plaats op de zandheuvel een snelheid kon bereiken tussen 1,1 en 16,8 km/h. Ook bleek dat het voertuig op een afstand van ongeveer 7,4 meter een snelheid kon bereiken die lag tussen de 15,1 en 21,0 km/h. Voorts bleek uit de proefnemingen dat de persoon die op 4,4 meter afstand achter het voertuig stond tussen de 2,0 en 3,3 seconden tijd had om zich in veiligheid te brengen. Voor de persoon die op 7,4 meter afstand achter het voertuig stond was dit tussen de 2,7 en 3,9 seconden. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de reactietijd van personen. Deze kan blijkens onderzoek liggen tussen 0,6 en 1,6 seconden. Ook moet rekening gehouden worden met een mogelijke tragere reactietijd vanwege het mulle zand. Volgens de verkeerspolitie is niet in te schatten in welke mate letsel ontstaat bij een dergelijke aan- of overrijding.

Gelet op de situatie ter plaatse op de zandheuvel (de hoeveelheid zandmassa en de zware auto) en het feit dat verbalisanten, toen de auto achteruit kwam rijden, vanuit een eerder door die auto gemaakt spoor in het mulle zand opzij en omhoog moesten springen, is de kans niet denkbeeldig dat verbalisanten aan- of overreden zouden kunnen worden.

Door te handelen zoals hij deed, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij verbalisanten zou aan- of overrijden. Verdachte heeft die kans blijkens zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Het hof overweegt daartoe dat verdachte (steeds) de mogelijkheid heeft gehad om te stoppen en uit te stappen, maar in plaats daarvan de zandheuvel is afgereden terwijl verbalisanten zich achter zijn auto bevonden. De andersluidende verklaring van verdachte dat de verbalisanten zich niet achter zijn auto bevonden, maar naast respectievelijk aan de voorzijde van zijn auto, acht het hof niet geloofwaardig en wordt naar het oordeel van het hof voldoende door de inhoud van de bewijsmiddelen weerlegd/n het bijzonder door de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1 en 2] ten overstaan van de rechter-commissaris op 21 februari 2007 waarin zij beiden hun in het proces-verbaal opgenomen verklaringen dienaangaande hebben bevestigd.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan een poging doodslag, maar aan poging tot zware mishandeling. Ook verdachtes eigen verklaringen wijzen in die richting. Zo heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de agenten niet dood wilde hebben, maar dat hij wilde voorkomen dat hij werd aangehouden.

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep de reconstructie betwist, nu hij daarbij zelf niet aanwezig is geweest.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof heeft geen redenen om te twijfelen aan de verklaringen zoals die door de betrokken politieambtenaren [verbalisant 1 en 2] op 21 februari 2007 ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd. Dat geldt evenzeer voor de bevindingen in het proces-verbaal van reconstructie van 25 juni 2007.

Voorts constateert het hof dat door de verdediging de snelheid waarmee de auto naar achteren reed, zoals weergegeven in de reconstructie, niet wordt betwist. Het feit dat verdachte zelf niet bij de reconstructie aanwezig was, doet niets af aan de bevindingen van de reconstructie, temeer niet, nu de raadsman daarbij wel aanwezig is geweest."

2.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten (vgl. HR 29 september 2009, LJN BI4736, NJ 2010/117).

2.4. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof geoordeeld dat "de verdachte zich willens en wetens [heeft] blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de verbalisanten zou aan- of overrijden", dat hij die kans blijkens zijn handelen ook welbewust heeft aanvaard en dat er daarom sprake is geweest van opzet bij de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het Hof daarbij kennelijk heeft geoordeeld dat het om een kans ging die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten, is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het Hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld met betrekking tot de omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder hetgeen is gebleken bij de gehouden reconstructie (bewijsmiddel 5). Ook het oordeel dat de verdachte die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard, is toereikend gemotiveerd. In de bewijsoverweging ligt immers besloten dat het naar het oordeel van het Hof niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat de verbalisanten zich achter zijn auto bevonden, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld met betrekking tot hetgeen zich direct voorafgaand aan het "incident" heeft voorgedaan, de omstandigheid dat het Hof de andersluidende verklaring van de verdachte over de plaats waar de verbalisanten zich bevonden ongeloofwaardig heeft bevonden en de verwijzing van het Hof naar de verklaring van de verdachte in hoger beroep dat hij de agenten niet dood wilde hebben, maar dat hij wilde voorkomen dat hij werd aangehouden.

2.5. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 december 2012.