Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY4839

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/01855 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY4839
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Het oordeel van het Hof dat met de betaling van de elektriciteitsrekening het door diefstal verkregen voordeel voor betrokkene is teniet gedaan en deze betaling daarom niet als kosten in mindering worden gebracht op het w.v.v. (uit hennepteelt) is niet begrijpelijk. Door het betalen van de elektriciteitsrekening heeft betrokkene immers kosten gemaakt die in directe relatie staan tot het delict. De omstandigheid dat die rekening elektriciteit betrof die door betrokkene was gestolen, doet daaraan, anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, niet af (vgl. HR LJN BQ0779).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 24
NBSTRAF 2013/24
RvdW 2013/71

Uitspraak

11 december 2012

Strafkamer

nr. S 11/01855 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 april 2011, nummer 20/001270-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, niet het bedrag van de achteraf aan Stedin B.V. betaalde elektriciteitsrekening in mindering heeft gebracht.

3.2. Het Hof heeft aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.150,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft de kosten van elektriciteit niet in mindering gebracht en heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"Het hof zal geen kosten in mindering brengen voor de achteraf betaalde elektriciteitsrekening van Stedin nu deze elektriciteit als wederrechtelijk (door middel van diefstal) verkregen voordeel, namelijk besparing van kosten, moet worden aangemerkt. Dat voordeel wordt met het betalen van de vordering tenietgedaan."

3.3. Het oordeel van het Hof dat met de betaling van de elektriciteitsrekening het door diefstal verkregen voordeel voor de betrokkene is tenietgedaan en dat daarom deze betaling niet als kosten in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel (uit hennepteelt) is niet begrijpelijk. Door het betalen van de elektriciteitsrekening heeft de betrokkene immers kosten gemaakt die in directe relatie staan tot het delict. De omstandigheid dat die rekening elektriciteit betrof die door de betrokkene was gestolen, doet daaraan, anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, niet af (vgl. HR 28 juni 2011, LJN BQ0779). Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 december 2012.