Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY4837

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/01732
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY4837
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Motivering strafoplegging. 2. Overschrijding redelijke termijn art. 6 EVRM. Ad 1. HR herhaalt HR LJN BK9252 m.b.t. het aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden zijn van de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, terwijl die keuze geen motivering behoeft. Het uitgangspunt dat het Hof heeft geoordeeld dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden passend was, maar dat enkel op grond van een aantal strafmatigende omstandigheden een gedeelte van die straf voorwaardelijk diende te worden opgelegd, mist feitelijke grondslag, gelet op ’s Hofs overweging dat de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf mede ertoe dient de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Ad 2. HR herhaalt HR LJN BD2578 m.b.t. de beperkte mate van toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn. ’s Hofs oordeel dat aan de overschrijding van de redelijke termijn in h.b. als rechtsgevolg moet worden verbonden dat het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf met één maand wordt verhoogd is niet onbegrijpelijk en behoefde geen andere motivering. De enkele omstandigheid dat de HR tot een andere strafvermindering zou zijn overgegaan indien bedoelde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase had voorgedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 23
NBSTRAF 2013/23
NJ 2013/33
NJB 2013/152
RvdW 2013/63

Uitspraak

11 december 2012

Strafkamer

nr. S 11/01732

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 maart 2011, nummer 23/006134-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de strafoplegging onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

2.2. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens 1. "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" en 2. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd".

Het Hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier jaren schuldig gemaakt aan het veelvuldig plegen van seksueel misbruik met zijn stiefdochter, welk misbruik mede bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De handelingen zijn begonnen toen het slachtoffer ongeveer tien jaren oud was en zijn - met een onderbreking van een jaar toen de verdachte in het buitenland woonde - doorgegaan tot in ieder geval haar veertiende jaar. De ontucht vond vooral plaats in het woonhuis waar de verdachte, samen met de moeder en het broertje van het slachtoffer woonde. Het seksueel misbruik vond onder meer plaats in de slaapkamer van het slachtoffer. Het eigen huis en de eigen slaapkamer zijn bij uitstek plaatsen waar een kind veilig moet kunnen zijn. De verdachte heeft echter op haar veiligheid op grove wijze inbreuk gemaakt ten behoeve van zijn eigen seksueel gerief.

Hoewel de verdachte, ook volgens het slachtoffer, geen geweld of dwang heeft gebruikt, heeft hij als stiefvader misbruik gemaakt van de afhankelijke positie die zij tegenover hem innam en haar ertoe gebracht zijn handelen als normaal te aanvaarden. De verklaring van het slachtoffer houdt voorts in dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij erover niets tegen haar moeder mocht zeggen. Daarmee heeft hij haar als jong kind ertoe gebracht een zeer belastend geheim tegenover haar eigen moeder te bewaren.

Thans, jaren later, blijken de gevolgen. Naar de ervaring leert en zoals ook blijkt uit de inhoud van de slachtofferverklaring van 16 maart 2011 die ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen, is het slachtoffer enkele jaren later de psychische gevolgen van zijn handelen gaan ervaren en belemmert dit haar nog immer in haar huidige functioneren. De verdachte heeft haar, hoewel dit, naar het hof wil aannemen, niet zijn intentie was, zwaar beschadigd.

Dit zijn zeer ernstige feiten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd doet naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende recht aan de ernst ervan.

Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden in beginsel passend en geboden.

Daartegenover staat, het hof zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden, dat blijkens het uittreksel uit het algemeen documentatieregister de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De verdachte die momenteel in het buitenland woonachtig is en niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, heeft aan het hof een brief doen toekomen. Deze brief houdt in - kort gezegd - dat hij diepe spijt betuigt aan zowel zijn stiefdochter als zijn ex-echtgenote. Het hof acht enerzijds aannemelijk dat de verdachte spijt heeft van zijn handelen, anderzijds moet worden vastgesteld dat de verdachte niet de moeite heeft genomen zich hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep, te verantwoorden voor zijn handelen. Het hof zal, mede om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, een gedeelte van acht maanden van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden.

De raadsman van de verdachte heeft er bij pleidooi echter op gewezen dat na het instellen van het hoger beroep op 19 september 2008 en de uiteindelijke behandeling in hoger beroep op 16 maart 2011 bijna dertig maanden hebben gelegen. Dit is een schending van het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM, waarmee in de strafmaat rekening gehouden dient te worden.

Op grond van het tijdsverloop, zoals door de raadsman aangegeven, is het hof met de raadsman van oordeel dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Deze overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM dient te leiden tot strafvermindering. Het hof zal daarom in plaats van de voormelde gevangenisstraf van dertig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf opleggen van dertig maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, hetgeen het hof, gelet op al het voorgaande, passend en geboden acht."

2.3. De Hoge Raad stelt voorop enerzijds dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de op te leggen straf zal worden ten uitvoer gelegd, de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling daaronder begrepen, en anderzijds dat niet enige rechtsregel de rechter voorschrijft daarmee wel rekening te houden. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl die keuze geen motivering behoeft (vgl. HR 23 maart 2010, LJN BK9252, NJ 2010/393).

2.4. Het middel neemt kennelijk tot uitgangspunt dat het Hof heeft geoordeeld dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden passend was, maar dat enkel op grond van een aantal strafmatigende omstandigheden een gedeelte van die straf voorwaardelijk diende te worden opgelegd. Dat uitgangspunt mist feitelijke grondslag gelet op 's Hofs overweging dat de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf mede ertoe dient de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel met betrekking tot het aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden rechtsgevolg onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.2. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7).

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van de zaak in hoger beroep dertig maanden hebben gelegen, dat de behandeling van de zaak aldus niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat hieraan als rechtsgevolg moet worden verbonden dat het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf met één maand wordt verhoogd.

Dat oordeel is in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.2 is vooropgesteld niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De enkele omstandigheid dat de Hoge Raad tot een andere strafvermindering zou zijn overgegaan indien bedoelde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase had voorgedaan, leidt niet tot een ander oordeel.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 december 2012.