Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY4835

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/01720
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY4835
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8939, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW1994. Aanmerkelijk onoplettend rijgedrag. Tijdelijk bewustzijnsverlies. HR herhaalt HR LJN AO5822. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat bij de verdachte sprake is geweest van tijdelijk bewustzijnsverlies. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is mede gezien in het licht van hetgeen is aangevoerd voldoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 22
JWR 2013/2
NBSTRAF 2013/22 met annotatie van mr. C.W. Noorduyn
RvdW 2013/62
NJ 2013/32
VR 2013/115

Uitspraak

11 december 2012

Strafkamer

nr. S 11/01720

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 23 maart 2011, nummer 24/001285-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van schuld in de vorm van aanmerkelijk onoplettend rijgedrag onder meer in verband met een ontoereikende verwerping van het gevoerde verweer dat ten tijde van het ongeval bij de verdachte sprake moet zijn geweest van tijdelijk bewustzijnsverlies.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 2 mei 2009, te Odoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi), daarmede rijdende over de weg, N34, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (in een flauwe bocht naar rechts) van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook is afgeweken en is gaan rijden op de rijstrook, die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, tengevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto (merk: Hyundai), waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], inzittenden van die personenauto, merk Hyundai, werden gedood."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Op 2 mei 2009, aan het eind van de middag, heeft op de provinciale autoweg N34, die loopt van Groningen naar Emmen, ter hoogte van Odoorn een frontale aanrijding plaatsgevonden waarbij personenauto's van de merken Audi, Hyundai en Fiat betrokken waren. Het ongeval vond plaats doordat de Audi rijdende vanuit de richting Emmen over de N34 op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen, ten gevolge hiervan zijn twee personen overleden.

Uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse blijkt dat ter plaatse een snelheid van 100 km/u is toegestaan dat op de plaats van de aanrijding de weg is voorzien van een dubbele doorgetrokken streep en de weg, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, een flauwe bocht naar rechts maakt.

De Audi werd bestuurd door verdachte.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij bekend is met de situatie op de plaats van het ongeval. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet bewust op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Van de toedracht van het ongeval en van het ongeval zelf weet hij zich niets meer te herinneren. Hij kan zich wel herinneren dat hij voor het ongeval ongeveer 80 km/u heeft gereden.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte een verkeersovertreding heeft begaan door de dubbele doorgetrokken streep te overschrijden en op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te rijden.

Het hof overweegt voorts dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de vraag naar bewezenverklaring van schuld in de zin van dit artikel komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Provinciale (auto)wegen en zeker die waarbij de rijbanen voor elkaar tegemoetkomend verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals de N34 te hoogte van Odoorn, zijn wegen waarvan algemeen bekend is dat deze uit verkeerstechnisch oogpunt gevaarlijk zijn. Dergelijke wegen vergen daarom in de regel bijzondere oplettendheid/voorzichtigheid van de weggebruikers. Zulks geldt in nog sterkere mate ter plaatse van het ongeval, omdat de weg daar een flauwe bocht maakt. Dat de situatie op de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden gevaarlijk is, blijkt uit het feit dat er een dubbele doorgetrokken streep op het midden van de weg is aangebracht, ruim ver voordat de flauwe bocht begint. Verdachte, ter plaatse bekend, is in de bocht niet met de bocht meegereden, maar hij is rechtdoor gereden en heeft vervolgens de doorgetrokken strepen op de as van de weg met zijn gehele auto overschreden, daarmee artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 overtredend. Uit de situatieschetsen van het ongeval en de foto (pagina 21) van de schade aan de Audi, die zijn gevoegd bij voornoemd proces-verbaal, blijkt dat de rechter voorzijde van de auto van verdachte met de Hyundai van de tegenliggers in botsing is gekomen. Hieruit leidt het hof af dat verdachte, terwijl hij op de verkeerde weghelft reed, ook hier niet met de bocht is meegereden maar nog steeds rechtdoor reed, waardoor hij op het punt stond de weg af te geraken en rechtdoor de berm in te rijden. Deze afloop is echter verhinderd door de botsing met de tegenligger. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij niet bewust naar links heeft gestuurd en gelet op de afstand die verdachte moet hebben afgelegd voordat hij geheel op de verkeerde weghelft reed en de tijd die hiermee moet zijn gemoeid, is verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend geweest.

Een dergelijke gedraging op een weg als deze kan - onder de hierboven omschreven omstandigheden - in beginsel de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Dat kan anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, waaruit volgt dat van schuld als bedoeld in artikel van de Wegenverkeerswet 1994 niet kan worden gesproken.

De raadsman van verdachte heeft in dat kader aangevoerd dat het bijna niet anders kan zijn dan dat sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies van verdachte.

Het hof verwerpt dit verweer. De enkele mogelijkheid van tijdelijk bewustzijnsverlies is niet voldoende om het bewustzijnsverlies ook aannemelijk te achten. In het dossier bevinden zich geen medische verklaringen of andere aanwijzingen waaruit de aannemelijkheid van het door de raadsman geopperde bewustzijnsverlies blijkt. Dat verdachte zoals de raadsman heeft aangevoerd een week na het ongeval is flauwgevallen, geeft geen onderbouwing aan het verweer, nu de oorzaak daarvan niet bekend is geworden. Evenmin gaat de redenering van de raadsman op dat aannemelijk is dat verdachte het bewustzijn voor het ongeval moet hebben verloren, omdat hij zich niets van de aanloop naar het ongeval kan herinneren. Integendeel: het hof sluit niet uit dat zowel het latere flauwvallen als het geheugenverlies hun oorzaak vinden in het ongeval."

2.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"In de ochtend van 2 mei 2009 ben ik naar een tuigpaardenconcours in Geesteren (Overijssel) geweest. De nacht ervoor had ik goed geslapen. Ik heb in Geesteren gegeten en gedronken, maar ik heb geen alcohol gebruikt. Tegen 16.00 uur ben ik richting huis gegaan. Onderweg ben ik niet bij iemand op bezoek gegaan. Ik weet nog dat ik op de N34 reed, vlak voorbij Emmen. Ik reed ongeveer 80 km/u. Daar houdt voor mij de herinnering op.

Ik ben heel erg bekend op die weg. Vlakbij de plaats waar het ongeluk is gebeurd, had ik de afslag moeten nemen naar huis. Ik denk dat ik nog een kleine 10 kilometer van huis verwijderd was. Onderweg in de auto heb ik mijn mobiele telefoon niet gebruikt. Volgens mij had ik die niet bij me.

Van de aanrijding herinner ik me niets. Ik herinner me niet dat ik bewust naar links heb gestuurd. Ik kan me alleen zaken herinneren van na het ongeluk. Ik kwam bij kennis en een brandweerman deed de deur van mijn auto open. Ik zat in de auto en naast mij waren ballonnen. Dat bleken airbags te zijn, maar dat realiseerde ik mij toen niet. De ballonnen sisten, want ze liepen leeg. Ik had pijn aan mijn ribben en ik kreeg een kraag om mijn nek. Pas toen ik uit de auto werd gehaald en de ravage zag, realiseerde ik mij dat er een ongeluk was gebeurd. Ik vroeg aan de brandweerman wat er was gebeurd. Hij zei tegen mij dat ik op de verkeerde weghelft terecht was gekomen. Toen ben ik naar het ziekenhuis gebracht. Voordat ik naar het ziekenhuis werd gebracht hoefde ik niet te blazen in verband met alcoholcontrole.

Enige tijd nadat ik uit het ziekenhuis was gekomen ben ik bij mijn boekhouder flauwgevallen.

Ik ben toen weer naar het ziekenhuis gegaan. Daar ben ik 10 dagen gebleven en volledig onderzocht. Ik heb toen ook een kastje geïmplanteerd gekregen om te zien of ik misschien wegraakte. Sindsdien ben ik nooit meer flauwgevallen. Ik heb het kastje nog steeds. Die moet 2 jaar blijven zitten. Er is geen diagnose gesteld en daarom heb ik geen medische stukken overgelegd. Niemand heeft mij verteld dat ik niet mag autorijden. Ik heb de eerste 7 maanden na het ongeluk niet durven/willen autorijden. Nu rijd ik wel weer in de auto."

2.2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Feit is dat in de onderhavige zaak geen sprake is van bijzonder verkeersgedrag, zoals een te hoge snelheid, middelengebruik, inhalen o.i.d. Cliënt is op de verkeerde weghelft terecht gekomen op een voor ieder onverklaarbare reden.

Cliënt was ook niet vermoeid, had de aandacht goed bij de weg, was niet gestresst.

Cliënt verrichte eveneens geen bijzondere handeling in de auto, zoals telefoneren, het bedienen van de radio.

Kortom, het is en blijft een raadsel.

Een zeer aannemelijke oorzaak kan een toeval, black-out zijn geweest. Dat cliënt het bewustzijn tijdelijk heeft verloren, zonder dat cliënt over dit verlies controle had.

Aannemelijk, omdat cliënt een week later bij de boekhouder ook is flauwgevallen. En cliënt kan zich van de aanloop naar het ongeval ook niets herinneren. Dat laatste zou kunnen passen bij het verlies van bewustzijn reeds op dat moment.

Cliënt staat bij u en mij te boek als een prima verkeersdeelnemer. Niet iemand die de regels aan zijn laars lapt.

Kortom, het kan haast niet anders dan dat er sprake is geweest van tijdelijk bewustzijnsverlies. Het frustrerende is dat dit niet met een artsenverklaring kan worden bevestigd."

2.3. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. (Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005/252).

2.4. Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend is geweest doordat hij als bestuurder van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, in een flauwe bocht niet met de bocht mee, maar rechtdoor is gereden en vervolgens de dubbele doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto heeft overschreden en daar met de rechter voorzijde van zijn auto met een tegenligger in botsing is gekomen. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde - waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

2.5. Het Hof heeft de in dit verband aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk geacht, meer in het bijzonder niet dat bij de verdachte sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is mede gezien in het licht van hetgeen is aangevoerd voldoende gemotiveerd.

2.6. Voor zover het middel daarover klaagt, is het vruchteloos voorgesteld.

2.7. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 december 2012.