Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY2255

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
10/04386
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY2255
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BN8332, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafoplegging. Aangenomen moet worden dat het Hof kennelijk abusievelijk in het dictum heeft opgenomen dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 7.500,- (tienduizend euro); de HR leest dit als een geldboete van € 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd euro). Door deze verbeterde lezing wordt de verdachte niet benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/18

Uitspraak

4 december 2012

Strafkamer

nr. S 10/04386

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 september 2010, nummer 20/000805-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1950.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste tot en met het zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het zevende middel

3.1. Het middel klaagt dat 's Hofs strafoplegging onbegrijpelijk is.

3.2. Het dictum van het bestreden arrest houdt omtrent de opgelegde straf het volgende in:

"Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 7.500,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (twee en zeventig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van EUR 50,00 (vijftig) euro per dag."

3.3. Het is klaarblijkelijk de bedoeling van het Hof geweest om aan de verdachte een geldboete op te leggen ten belope van € 7.500,-, mede in aanmerking genomen dat het Hof het aantal dagen vervangende hechtenis bij gebreke van betaling en verhaal heeft bepaald op 72 dagen en in de kennelijk door het Hof toegepaste oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken dit aantal dagen wordt gekoppeld aan een dergelijke geldboete. Het Hof heeft derhalve kennelijk abusievelijk het geldbedrag tussen haakjes met "tienduizend euro" in woorden uitgedrukt. De Hoge Raad leest daarom dit bedrag verbeterd, in dier voege dat daar waar "(tienduizend euro)" is vermeld, gelezen wordt "(zevenduizend en vijfhonderd euro)". Door deze verbeterde lezing wordt de verdachte niet benadeeld.

3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het achtste middel

4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 7.500,-, subsidiair 72 dagen hechtenis, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.375,-, subsidiair 71 dagen hechtenis, bedraagt, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 4 december 2012.