Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY1383

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
12/03221
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY1383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Griffierecht. Niet-tijdige betaling griffierecht; ontvankelijkheid cassatieberoep; ‘hardheidsclausule’; art. 282a, 427b Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1342
NJB 2012/2256
JWB 2012/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 2012

Eerste Kamer

12/03221

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W. Boogaardt,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 03/5420 / 207640 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 november 2004;

b. de beschikkingen in de zaak 105.007.944.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 december 2005 en 4 april 2012.

De beschikking van het hof van 4 april 2012 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstgenoemde beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

Aan de advocaat van de vrouw is verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan.

De advocaat van de vrouw heeft het verschuldigde griffierecht alsnog voldaan en zich bij akte van 6 augustus 2012 over de te late betaling uitgelaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.

3. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De vrouw heeft bij verzoekschrift van 29 juni 2012, op diezelfde datum binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad, beroep in cassatie ingesteld tegen de eindbeschikking van het hof. Ingevolge art. 3 lid 4 Wgbz diende zij te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift, derhalve uiterlijk op 27 juli 2012, zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad, dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort.

Het griffierecht is evenwel pas na laatstgenoemde datum voldaan. Dat brengt mee dat de vrouw op grond van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep.

3.2 De advocaat van de vrouw heeft zich bij akte van 6 augustus 2012 uitgelaten over de te late betaling van het griffierecht. Hij stelt dat de tijdelijke vervanger van zijn secretaresse kennelijk is uitgegaan van een betalingstermijn van vier weken, gerekend vanaf de ontvangst van de door de administratie van de Hoge Raad op 10 juli 2012 verzonden nota, en de nota heeft opgeborgen; de nota heeft dientengevolge de advocaat niet tijdig bereikt.

Deze omstandigheid vormt echter - nog daargelaten dat in genoemde nota met juistheid de datum van 27 juli 2012 is genoemd als einddatum van de betalingstermijn - geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule van art. 282a lid 4 Rv.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 26 oktober 2012.