Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BY0537

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
12/01126
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY0537
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie, (aanvullende) alleenstaande ouderkorting, art. 8.15 lid 1 Wet Inkomstenbelasting 2001. Inkomensafhankelijke combinatiekorting, art. 5a lid 6 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Ontslagvergoeding, aftrekbaarheid kosten juridische bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/149
RvdW 2013/102
RFR 2013/28
JWB 2013/7

Uitspraak

21 december 2012

Eerste Kamer

12/01126

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak 288748/FA RK 10-3574 van de rechtbank Utrecht van 10 november 2010 en 30 maart 2011;

b. de beschikking in de zaak 200.085.146 van het gerechtshof te Amsterdam van 29 november 2011.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam en tot verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw hebben van augustus 2008 tot juni 2009 een relatie met elkaar gehad en een deel van deze periode samengewoond.

(ii) Uit de relatie van partijen is in 2009 een zoon, [de zoon], geboren. De man heeft [de zoon] erkend.

(iii) De man vormt een gezin met zijn dochter [dochter 1], die in 2004 uit een andere relatie is geboren. Sinds 2010 woont de man samen met een nieuwe partner.

(iv) De vrouw vormt een gezin met [de zoon] en met haar dochter [dochter 2], die in 2002 uit een andere relatie is geboren.

3.2 De vrouw heeft de rechtbank verzocht om ten laste van de man kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] vast te stellen.

De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 15 juni 2010 bepaald op € 200,-- per maand.

Het hof heeft de kinderalimentatie voor drie periodes, gelegen tussen 1 september 2009 en 1 juni 2011, op verschillende bedragen bepaald, en met ingang van 1 juni 2011 op € 286,-- per maand.

3.3.1 Onderdeel 2.1 van het middel is gericht tegen (de tweede) rov. 3.5, waarin het hof zich heeft gebogen over, onder meer, de gezinssituatie en de fiscale positie van de man.

3.3.2 Uitgaande van de vaststelling van het hof in rov. 3.5, tweede volzin, dat de man met ingang van december 2010 samenwoont met een nieuwe partner, klaagt het onderdeel in de eerste plaats over het oordeel van het hof in rov. 3.5, laatste volzin, dat de man recht heeft op, onder meer, de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting.

Deze klacht is gegrond. Op grond van art. 8.15 lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2011, kwam de man vanaf 1 januari 2011 niet meer in aanmerking voor de alleenstaande ouderkorting noch voor de aanvullende alleenstaande ouderkorting, omdat hij vanaf het moment waarop hij met zijn nieuwe partner is gaan samenwonen, met haar een gemeenschappelijke huishouding voert als bedoeld in dit voorschrift.

3.3.3 De eveneens in onderdeel 2.1 vervatte klacht dat het hof heeft miskend dat de man met ingang van 1 januari 2012 niet meer in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting, faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5.

3.4 Onderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 4.10, waarin het hof zich heeft gebogen over de inkomsten van de man.

Het onderdeel klaagt over de beslissing van het hof om weliswaar rekening te houden met de advocaatkosten van € 28.000,--, die de man heeft gemaakt in een tegen zijn voormalige werkgever gevoerde ontslagprocedure, maar deze kosten in mindering te brengen op het bruto bedrag van € 104.000,--, dat de man als ontslagvergoeding heeft ontvangen.

Deze klacht treft doel. Kosten van juridische bijstand in het kader van een ontslagvergoeding zijn in het stelsel van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet aftrekbaar (HR 10 augustus 2007, LJN AZ4768, BNB 2008/88). Het hof had de advocaatkosten dan ook in mindering moeten brengen op het netto bedrag dat voor de man uit hoofde van de ontslagvergoeding resteerde.

3.5 De klachten van de onderdelen 2.3, 2.4 en 2.5 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 november 2011;

verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 21 december 2012.