Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX9759

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11/04144
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX9759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzegging overeenkomst van opdracht, hoogte afkoopsom, art. 7:764 lid 2 BW. Onbegrijpelijk oordeel. Niet-betwiste stellingen, art. 149 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/49
NJB 2013/65
JWB 2012/596

Uitspraak

14 december 2012

Eerste Kamer

11/04144

EE/EP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], handelend onder de naam [A],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. W.P. den Hertog,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 291719/HA ZA 07-2266 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2007, 5 december 2007, 2 juli 2008 en 13 augustus 2008;

b. het arrest in de zaak 200.016.656/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 mei 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het arrest van het hof, zij het slechts voor zover het bestreden wordt in cassatiemiddel 1, onderdeel 1 en onderdeel 14, dit laatste onderdeel voor zover het op onderdeel 1 steunt, en in cassatiemiddel 3, onderdeel 1.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Eind augustus 2006 hebben [verweerder] c.s. aan [eiser] een opdracht verstrekt tot het uitvoeren van verbouwwerkzaamheden op basis van een door [eiser] opgestelde offerte.

(ii) Op of omstreeks 13 april 2007 hebben [verweerder] c.s. de overeenkomst van opdracht met [eiser] opgezegd.

3.2 Voor zover in cassatie van belang heeft [eiser] in eerste aanleg gevorderd dat [verweerder] c.s. worden veroordeeld tot betaling van een 'afkoopsom' als bedoeld in art. 7:764 lid 2 BW. In hoger beroep heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en van [verweerder] c.s. ook schadevergoeding gevorderd in verband met door [verweerder] c.s. ten laste van [eiser] gelegde beslagen en een door [eiser] ter vervanging van het beslag verstrekte bankgarantie.

3.3 Middel 1 bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot de afkoopsom (rov. 20-25). Met het oog op de berekening van de hoogte van deze afkoopsom heeft het hof in rov. 21 overwogen dat het met de rechtbank uitgaat van een aanneemsom van € 141.593,13 inclusief BTW (zijnde het in de offerte genoemde totaalbedrag, vermeerderd met het door [verweerder] c.s. erkende meer- en minderwerk).

Deze aanneemsom keert terug in de berekening van de hoogte van de afkoopsom, waartoe het hof is overgegaan in rov. 23.

Onderdeel 1 klaagt over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van hof in rov. 21 dat [eiser] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geklaagd over de beslissing van de rechtbank om de aanneemsom te becijferen op een bedrag van € 141.593,13. Deze klacht is gegrond, evenals de tegen rov. 23 gerichte klacht van onderdeel 14 voor zover deze voortbouwt op onderdeel 1. Blijkens de stellingen van [eiser] in hoger beroep, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4, heeft [eiser] in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de totaalprijs voor het werk € 165.282,60 bedraagt, en niet, zoals door de rechtbank is becijferd, € 141.593,13.

De overige in middel 1 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 Middel 3 bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot de schadevergoeding die [eiser] - bij wege van eisvermeerdering in hoger beroep - heeft gevorderd in verband met de door [verweerder] c.s. gelegde beslagen (rov. 26-27).

Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 27 dat de schadepost 'rentederving wegens het stellen van een bankgarantie', niet toewijsbaar is, omdat [eiser] geen stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van zijn vordering op dit punt.

Het onderdeel treft doel. [Verweerder] c.s. hebben zich tegen [eiser]s eisvermeerdering in appel gekeerd met het betoog dat deze eisvermeerdering neerkomt op het opvoeren van nieuwe eisen, waarvoor in appel geen ruimte is, maar zij hebben de schadepost zelf niet inhoudelijk bestreden.

Het hof heeft in rov. 26 geoordeeld dat het voorbijgaat aan het betoog van [verweerder] c.s. dat op dit punt sprake is van nieuwe eisen die buiten beschouwing moeten blijven.

Bij dit uitgangspunt had het hof, gelet op de regel van art. 149 Rv dat feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand zijn te beschouwen, de door [eiser] gestelde schadepost niet mogen afwijzen op de grond dat [eiser] geen stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van zijn vordering op dit punt.

De overige onderdelen van middel 3 behoeven geen behandeling.

3.5 De in de middelen 2, 4 en 5 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 mei 2011;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 14 december 2012.