Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX9478

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
12/02375 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. De aangevoerde omstandigheid kan niet een ernstig vermoeden wekken a.b.i. art. 457.1ahf.c Sv. Afwijzing aanvrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1313
SR-Updates.nl 2012-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2012

Strafkamer

nr. S 12/02375 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 april 2010, nummer 22/001561-09, ingediend door mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank 's-Gravenhage van 22 januari 2009 - de aanvrager ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvraag

3.1. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling.

3.2. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van zo een gegeven. De aanvrager voert daartoe aan dat niet de aanvrager maar zijn broer, [betrokkene 1], de kentekenbewijzen (deel 1A en deel II) van de Mercedes E220CDI, met kenteken [AA-00-BB], heeft vervalst en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit.

3.3. Als bijlage is bij de aanvraag gevoegd de handgeschreven en door [betrokkene 1] op 20 april 2012 ondertekende verklaring, inhoudende:

"Hierbij verklaar ik [betrokkene 1], geboren [geboortedatum]-1969 voor de zaak waar mijn broer voor veroordeeld is, is eigenlijk een zaak van mij.

Ik heb dat gedaan in de tijd dat ik bang was dat ik mijn R.D.W. papieren kwijt zou raken, nu ik gehoord heb dat mijn broer die straf heb gehad, vind ik dat oneerlijk tegenover mijn broer, want ik dacht dat hij daar nooit zo voor veroordeeld kon worden papieren micra heb ik vervalst."

3.4. De aangevoerde omstandigheid kan niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. De stelling waarop de aanvraag steunt, vindt immers onvoldoende steun in de onder 3.3 weergegeven verklaring. Daarbij wordt in aanmerking genomen:

a. dat de tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2) inhoudt dat hij de Mercedes zonder kentekenbewijzen en met winst aan de aanvrager had verkocht, en dat de eveneens tot het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaring van de aanvrager (bewijsmiddel 3) inhoudt dat hij de kentekenbewijzen van de desbetreffende Mercedes heeft vervalst;

b. dat de aanvraag niets inhoudt omtrent de reden dat de aanvrager destijds deze (bekennende) verklaring heeft afgelegd;

c. dat, anders dan in de aanvraag wordt betoogd, de onder 3.3 weergegeven verklaring geen ondersteuning oplevert van het door de raadsman van de aanvrager ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de aanvrager de schuld voor zijn broer op zich heeft genomen vanwege financiƫle motieven en/of vanwege diens gezinssituatie.

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.

Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.